Circulatie
1. Het verloop en functie van de kleine en grote circulatie uitleggen
2. De bouw, werking en functie van het hart beschrijven
3. Uit de leggen hoe de RR gereguleerd wordt
4. Zijtakken van de aorta en grote arteriën in de ledematen op te noemen en aan te wijzen
5. Het verschil in functie en de onderlinge samenhang tussen de verschillende soorten bloedvaten uit te leggen
6. De samenstelling van het bloed beschrijven
7. Te beschrijven hoe O2 in het bloed getransporteerd wordt
8. De bloedgroepen met de verschillende antigenen en antistoffen uit leggen
9. Uit te leggen hoe hemostase werkt
1. Het verloop en functie van de kleine en grote circulatie uitleggen
Kleine bloedsomloop: Pulmonale circulatie
Re ventrikel O2 -
A. Pulmonalis O2 -
Capillairen rondom longen O2 -
Alveoli O2+
Longvenen O2+
Li atrium O2+
Li ventrikel (hier start grote bloedsomloop) O2+
Grote bloedsomloop: systemische circulatie
Li ventrikel O2+
Aorta O2+
Capilairen in het hoofd + organen O2+
Bovenste/onderste holle ader O2-
Venen O2-
Re atrium O2-
Re ventrikel (hier start kleine bloedsomloop) O2-
, 2. De bouw, werking en functie van het hart beschrijven
Systole: Samentrekken ventrikels. Bloed wordt door li ventrikel in de aorta gepompt en door het re
ventrikel in de a. pulmonalis.
Aortaklep en pulmonalisklep gaan open tijdens de systole omdat de druk in de ventrikels hoger is dan
arterieel.
AV-kleppen blijven dicht zodat er geen bloed terug kan stromen naar een atrium.
Als het bloed in de aorta wordt gepompt stijgt de arteriële RR, dit is de bovendruk.
Ouderen hebben vaak een hoge RR:
- Systolische RR neemt toe als de vaten stijver worden door bv verkalking.
Systolische RR is afhankelijk van het slagvolume: hoeveelheid bloed die in de aorta gepompt wordt.
Diastole: Ontspannen van de ventrikels, deze vullen zich opnieuw met bloed uit het atrium. AV-
kleppen staan open. Aorta en pulmonalisklep staan dicht om terugstroom te voorkomen. De arteriele
druk zakt omdat het hart niks in de arteriën pompt maar wel door laat stromen naar de haarvaten.
Laagste druk wordt gemeten aan het einde van de diastole. Dit is de onderdruk. Deze is afhankelijk
van de cardiac output (hartminuutvolume) en de perifere weerstand.
1. Het verloop en functie van de kleine en grote circulatie uitleggen
2. De bouw, werking en functie van het hart beschrijven
3. Uit de leggen hoe de RR gereguleerd wordt
4. Zijtakken van de aorta en grote arteriën in de ledematen op te noemen en aan te wijzen
5. Het verschil in functie en de onderlinge samenhang tussen de verschillende soorten bloedvaten uit te leggen
6. De samenstelling van het bloed beschrijven
7. Te beschrijven hoe O2 in het bloed getransporteerd wordt
8. De bloedgroepen met de verschillende antigenen en antistoffen uit leggen
9. Uit te leggen hoe hemostase werkt
1. Het verloop en functie van de kleine en grote circulatie uitleggen
Kleine bloedsomloop: Pulmonale circulatie
Re ventrikel O2 -
A. Pulmonalis O2 -
Capillairen rondom longen O2 -
Alveoli O2+
Longvenen O2+
Li atrium O2+
Li ventrikel (hier start grote bloedsomloop) O2+
Grote bloedsomloop: systemische circulatie
Li ventrikel O2+
Aorta O2+
Capilairen in het hoofd + organen O2+
Bovenste/onderste holle ader O2-
Venen O2-
Re atrium O2-
Re ventrikel (hier start kleine bloedsomloop) O2-
, 2. De bouw, werking en functie van het hart beschrijven
Systole: Samentrekken ventrikels. Bloed wordt door li ventrikel in de aorta gepompt en door het re
ventrikel in de a. pulmonalis.
Aortaklep en pulmonalisklep gaan open tijdens de systole omdat de druk in de ventrikels hoger is dan
arterieel.
AV-kleppen blijven dicht zodat er geen bloed terug kan stromen naar een atrium.
Als het bloed in de aorta wordt gepompt stijgt de arteriële RR, dit is de bovendruk.
Ouderen hebben vaak een hoge RR:
- Systolische RR neemt toe als de vaten stijver worden door bv verkalking.
Systolische RR is afhankelijk van het slagvolume: hoeveelheid bloed die in de aorta gepompt wordt.
Diastole: Ontspannen van de ventrikels, deze vullen zich opnieuw met bloed uit het atrium. AV-
kleppen staan open. Aorta en pulmonalisklep staan dicht om terugstroom te voorkomen. De arteriele
druk zakt omdat het hart niks in de arteriën pompt maar wel door laat stromen naar de haarvaten.
Laagste druk wordt gemeten aan het einde van de diastole. Dit is de onderdruk. Deze is afhankelijk
van de cardiac output (hartminuutvolume) en de perifere weerstand.