,Het onderwerp staats- en bestuursrecht
De plaats van staats- en bestuursrecht
Staats- en bestuursrecht is het onderdeel van publiekrecht dat zich niet met het straffen van
burgers bezighoudt. De overheid kan de volgende handelingen verrichten:
Feitelijke handelingen = onbeoogd gevolg (opbreken van een weg reparatie)
Rechtshandelingen = eenzijdig of meerzijdig met burgers. Hierbij moet overheid in elk
geval hetzelfde optreden (geen willekeur art. 1 Gw gelijke behandeling)
Kenmerkende handeling van overheid: publiekrechtelijk eenzijdige bindende besluiten = de
gelding van het besluit is niet afhankelijk van de instemming van degene tot wie het is
gericht. Niet altijd natuurlijk, soms meerzijdig of niet bindend. Maar meestal wel.
- Staatrecht = welke organen zijn onder welke voorwaarden bevoegd tot het stellen van
in de Nederlandse rechtsorde geldende rechtsnormen? Meeste landen maken een
orgaan hiervoor bevoegd, anderen één persoon (dictatuur).
- Bestuursrecht = als de overheid gaat handelen, wat die je dan als bescherming?
Bindende overheidsbesluiten
De noodzaak ervan
Noodzaak omdat ze de maatschappelijke behoefte eraan beantwoorden
Het problematische karakter ervan
in complexere samenlevingen meer behoefte aan bindende maatregelen die de
onderlinge verhoudingen tussen burgers regelen en die dus ingrijpen in rechtspositie.
Bindend houdt in dat niet iedereen individueel kan instemmen dus moeilijk.
De aanvaardbaarheid ervan
Democratie werkt niet met individueel stemmen dus moet men ervan uitgaan dat de
besluiten redelijk en aanvaardbaar zijn gezien het door volksvertegenwoordigers
gemaakt wordt.
Instanties
Voeg hier het schema in wat ik op papier gemaakt heb van Kroon, regering, etc.
Hierbij belangrijk:
Verschil kabinet en ministerraad
Kabinet is Minister-President, ministers en staatssecretarissen. Ministerraad alleen de
ministers. Het zijn allebei uitvoerende/bestuurlijke organen. Minister-President is
hetzelfde als minister van uitvoerende zaken.
Verschil koning en regering
Koning is onderdeel van de regering en heeft drie hoedanigheden:
o Lid van de regering
o Staatshoofd
o Privépersoon (individu)
Verschil uitvoerende en bestuurlijke macht
Is er niet: uitvoerende en bestuurlijke zijn hetzelfde. De andere zijn recht- en
wetgevende macht.
Verschil Staten-Generaal en Parlement
, Is er niet: SG en Parlement zijn hetzelfde: namelijk de Eerste en Tweede kamer als
wetgevende organen.
Verschil Kroon en koning
Kroon is de regering: Staatshoofd, Minister-President, ministers, staatssecretarissen.
De Koning is het Staatshoofd (dus alleen onderdeel van de Kroon).
, De historische ontwikkeling ervan
Ontstaan van de soevereine (democratische rechts) staat
Eerste fase: Theocratische staatsleer
Belangrijk persoon Augustinus. Kenmerken:
Vorst denkt de macht van God te hebben en staat daarmee boven de wet, hij kan
hem nooit schenden.
Niemand twijfelt aan zijn macht
Rechten zijn tijdelijke gunsten van de vorst (God), er is geen recht in eigenlijke zin
Daarmee is er dus ook geen juridische grond voor verzet
Overgang: visie ontstond dat vorst beperkte bevoegdheden zou moeten hebben
Tweede fase: Natuurrecht
Belangrijk persoon: Thomas van Aquino die schrijft dat de wet die van het natuurrecht
afwijkt een verdorven wet is. Kenmerken:
Natuurrecht zijn de onveranderlijke rechtsbeginselen die uit de natuur voortvloeien
Vorst had leenstelsel feodalisme (leenheer en leenman) nodig voor militairen en geld
Vorst handelt nog steeds uit macht van God (maar de macht werd beperkt door het
natuurrecht, de nieuwe visie)
o Vorst mocht geen nieuw recht maken, moest gewoonterecht aanhouden
o Feitelijk was hij zelf onderworpen de Paus als leenheer van deel van Rijk
o Macht delen met andere machten zoals grote leenmannen, steden en kerk
Overgang: door investituurstrijd verslapt gezag van paus en keizer waardoor vorsten weer
sterker worden.
Derde fase: Absolute staat
Belangrijk persoon: Bodin schreef over rechtvaardigheid van absolutisme. Kenmerken:
Door wegvallen paus krijgen de staten externe soevereiniteit en door de
godsdienstburgeroorlogen ook de mogelijkheid om intern soeverein (= hoogste
macht binnen grondgebied) te worden.
Theorie in die tijd: bloedige godsdienstoorlogen kunnen enkel opgelost worden door
een machtige vorst die boven de religie staat en daarom vreedzaam samenleven kan
garanderen. Hij moet daarom nieuw recht kunnen maken.
Groot en centraal regeren nog steeds met het idee van macht van God, wat instrijkt
tegen de rechten van het feodale stelsel (macht is het Droit Divin)
Langzaam Lodewijjk XIV bevoegd om alles te doen wat hij wil
Afstand koning en burger wordt groter, collectieve verzetsleer ontwikkelt zich,
wanneer contract tussen burgers en vorst geschonden wordt, mag het volk collectief
onder leiding van State-Generaal de vorst afzetten (Plakkaat van Verlatinge, 1581).
Later krijgen ze naar idee van John Locke ook individueel verzetsrecht tegen
schending van staat aan het maatschappelijk contract