Latijnse benamingen:
Sinister= links
Dexter= rechts
Mediaal= richting het midden
Lateraal= richting de zijkant
Ventraal (anterior)= richting de voorkant
Dorsaal (posterior)= richting de achterkant
Craniaal (cefaal)= richting de schedel
Caudaal= richting de voeten
Proximaal= richting de oksel
Distaal= richting uiteinde vingers
Superior= boven, op een hoger niveau (richting van het hoofd)
Inferior= onder, op een lager niveau
Cranium= schedel
Oculus= oog
Auris= oor
Nasus= neus
Os= mond
Cervix= nek
Acromion= schouderkop
Dorsum= rug
Thorax= borstkas
Mamma= borst
Axilla= oksel
Brachium= arm
Olecranon= uitsteeksel van de elle boog
Antebrachium= voorarm
Carpus= pols
Palma= hand
Pollux= duim
Phalanges= vinger(kootjes), tenen
Abdomen= buik
Lumbus= lendenen
, Umbilicus= navel
Pelvis= bekken
Coccyx= staart
Gluteus= bil
Femur= dijbeen
Patella= knieschijf
Popliteus= knieholte
Tarsus= enkel
Calcaneus= hielbeen
Pes= voet
Hallux= grote teen
Planta= voetzool
Les 1
De student kan:
1. De basale functies van levende organismen beschrijven.
Reactievermogen: het reageren van organismen op veranderingen in hun
onmiddellijke omgeving.
- Aanpassingsvermogen: organismen die langdurige veranderingen doormaken
wanneer zij zich aan hun omgeving aanpassen.
Groei: organismen die in omvang toenemen door de groei van cellen of door
toename van het aantal cellen.
- Differentiatie= het geleidelijk ontstaan van specifieke karakteristieken van
cellen tijdens de embryonale ontwikkeling als gevolg van het activeren of
onderdrukken van genen.
Voortplanting: organismen die zich voortplanten, waardoor er steeds nieuwe
generaties van dezelfde organismen ontstaan.
Beweging: organismen die bewegen.
- Inwendige beweging= transport van voedingsstoffen, bloed of andere stoffen.
- Uitwendige beweging= voortbeweging door de omgeving.
Stofwisseling: complexe chemische reacties waar organismen afhankelijk voor zijn
om energie te leveren die nodig zijn voor de andere basale functies.
- Respiratie= de opname, vervoer en het verbruik van zuurstof door cellen.
, - Uitscheiding: onnodige of mogelijke schadelijke afvalstoffen die tijdens
stofwisselingsreacties ontstaan en tijdens het proces van uitscheiding (excretie)
uit het lichaam worden verwijderd.
2. De relatie tussen de anatomie en fysiologie uitleggen en de verschillende
specialisaties binnen elk van deze disciplines beschrijven.
Anatomie en fysiologie hebben een nauwe relatie, doordat alle specifieke functies
door specifieke structuren worden vervuld. Anatomie is de studie van de structuur
en fysiologie is de studie van functie.
Anatomie kan je onderverdelen in macroscopische – en microscopische anatomie.
Macroscopische anatomie: het onderzoeken van kenmerken die met het blote oog
zichtbar zijn.
- Uitwendige anatomie: het bestuderen van de algemene vorm en van
oppervlaktekenmerken.
- Regionale anatomie: het bestuderen van oppervlaktestructuren en inwendige
structuren in een bepaald gebied van het lichaam.
- Systemische anatomie: het bestuderen van de structuur van belangrijke
orgaanstelsels.
Microscopische anatomie: het onderzoeken van structuren die niet zonder
vergroting zichtbaar zijn.
- Cytologie (celleer): het bestuderen van inwendige structuur van afzonderlijke
cellen.
Fysiologie: de studie van het functioneren van levende organismen.
- Celfysiologie: het bestuderen van het functioneren van levende cellen.
- Orgaanfysiologie: het bestuderen van de fysiologie van bepaalde organen. Denk
hierbij aan bv. nierfysiologie of hartfysiologie.
- Systeemfysiologie: het bestuderen van alle aspecten van het functioneren van
specifieke orgaanstelsels.
- Pathofysiologie: het bestuderen van de effecten van aandoeningen op het
functioneren van organen of stelsels. (Pathos is Grieks voor ziekte).
3. De belangrijkste organisatieniveaus in levende organismen herkennen.
- Chemisch niveau: atomen die zich met elkaar verbinden tot moleculen.
- Celniveau: cellen, de kleinste levende eenheden in het lichaam.
Sinister= links
Dexter= rechts
Mediaal= richting het midden
Lateraal= richting de zijkant
Ventraal (anterior)= richting de voorkant
Dorsaal (posterior)= richting de achterkant
Craniaal (cefaal)= richting de schedel
Caudaal= richting de voeten
Proximaal= richting de oksel
Distaal= richting uiteinde vingers
Superior= boven, op een hoger niveau (richting van het hoofd)
Inferior= onder, op een lager niveau
Cranium= schedel
Oculus= oog
Auris= oor
Nasus= neus
Os= mond
Cervix= nek
Acromion= schouderkop
Dorsum= rug
Thorax= borstkas
Mamma= borst
Axilla= oksel
Brachium= arm
Olecranon= uitsteeksel van de elle boog
Antebrachium= voorarm
Carpus= pols
Palma= hand
Pollux= duim
Phalanges= vinger(kootjes), tenen
Abdomen= buik
Lumbus= lendenen
, Umbilicus= navel
Pelvis= bekken
Coccyx= staart
Gluteus= bil
Femur= dijbeen
Patella= knieschijf
Popliteus= knieholte
Tarsus= enkel
Calcaneus= hielbeen
Pes= voet
Hallux= grote teen
Planta= voetzool
Les 1
De student kan:
1. De basale functies van levende organismen beschrijven.
Reactievermogen: het reageren van organismen op veranderingen in hun
onmiddellijke omgeving.
- Aanpassingsvermogen: organismen die langdurige veranderingen doormaken
wanneer zij zich aan hun omgeving aanpassen.
Groei: organismen die in omvang toenemen door de groei van cellen of door
toename van het aantal cellen.
- Differentiatie= het geleidelijk ontstaan van specifieke karakteristieken van
cellen tijdens de embryonale ontwikkeling als gevolg van het activeren of
onderdrukken van genen.
Voortplanting: organismen die zich voortplanten, waardoor er steeds nieuwe
generaties van dezelfde organismen ontstaan.
Beweging: organismen die bewegen.
- Inwendige beweging= transport van voedingsstoffen, bloed of andere stoffen.
- Uitwendige beweging= voortbeweging door de omgeving.
Stofwisseling: complexe chemische reacties waar organismen afhankelijk voor zijn
om energie te leveren die nodig zijn voor de andere basale functies.
- Respiratie= de opname, vervoer en het verbruik van zuurstof door cellen.
, - Uitscheiding: onnodige of mogelijke schadelijke afvalstoffen die tijdens
stofwisselingsreacties ontstaan en tijdens het proces van uitscheiding (excretie)
uit het lichaam worden verwijderd.
2. De relatie tussen de anatomie en fysiologie uitleggen en de verschillende
specialisaties binnen elk van deze disciplines beschrijven.
Anatomie en fysiologie hebben een nauwe relatie, doordat alle specifieke functies
door specifieke structuren worden vervuld. Anatomie is de studie van de structuur
en fysiologie is de studie van functie.
Anatomie kan je onderverdelen in macroscopische – en microscopische anatomie.
Macroscopische anatomie: het onderzoeken van kenmerken die met het blote oog
zichtbar zijn.
- Uitwendige anatomie: het bestuderen van de algemene vorm en van
oppervlaktekenmerken.
- Regionale anatomie: het bestuderen van oppervlaktestructuren en inwendige
structuren in een bepaald gebied van het lichaam.
- Systemische anatomie: het bestuderen van de structuur van belangrijke
orgaanstelsels.
Microscopische anatomie: het onderzoeken van structuren die niet zonder
vergroting zichtbaar zijn.
- Cytologie (celleer): het bestuderen van inwendige structuur van afzonderlijke
cellen.
Fysiologie: de studie van het functioneren van levende organismen.
- Celfysiologie: het bestuderen van het functioneren van levende cellen.
- Orgaanfysiologie: het bestuderen van de fysiologie van bepaalde organen. Denk
hierbij aan bv. nierfysiologie of hartfysiologie.
- Systeemfysiologie: het bestuderen van alle aspecten van het functioneren van
specifieke orgaanstelsels.
- Pathofysiologie: het bestuderen van de effecten van aandoeningen op het
functioneren van organen of stelsels. (Pathos is Grieks voor ziekte).
3. De belangrijkste organisatieniveaus in levende organismen herkennen.
- Chemisch niveau: atomen die zich met elkaar verbinden tot moleculen.
- Celniveau: cellen, de kleinste levende eenheden in het lichaam.