Hoorcollege week 4:
Product= een fysiek iets wat je kan aanbieden aan de klant zoals aandacht, aankoop, gebruik of
verbruik om te voldoen aan de behoefte.
Service= een niet-fysiek iets wat je kan aanbieden aan de klant zoals activiteiten, voordelen of
bevredigingen van een behoefte dat niet tot eigendom leidt.
3 niveaus:
1. Core product: de essentie, waar draait het eigenlijk om?
2. Actual product: wat erbij komt om het een echt product te maken
3. Augmented product: wat erbij komt om de customer experience te vervolledigen
4 grote types consumentenproducten:
1. Convenience producten: mc, krant
2. Shopping producten: kleding
3. Specialty producten: chanel
4. Unsought producten: verzekeringen
5 belangrijke beslissingen:
1. Producteigenschappen
2. Merk
3. Verpakking
4. Label en logo
5. Ondersteuningsservices
Productlijnen= groepen van producten die erg op elkaar lijken
Product line length= het aantal producten binnen een productlijn. (kan toenemen door line
stretching en line filling).
Productmix= alle productlijnen en individuele producten die een bedrijf aanbiedt.
Breedte - Lengte - diepte - consistentie
Customization= elke klant een eigen product
Visies van services:
Intangibility (onbegrijpbaar)= services kan je niet zien, proeven, horen, voelen of ruiken voor
aankoop.
Variability (variabiliteit)= kwaliteit hangt af van wie, waar, wanneer en hoe
Inseperability (onafscheidelijk)= services kan je niet scheiden van wie de service verleent
Perishability (vergankelijkheid)= services kan je niet opslaan voor later gebruik
Genuanceerde visie: 8 mogelijke verschillen
De meeste services kan je niet opslaan
Niet-fysieke elementen domineren meestal de waardecreatie
Moeilijk te visualiseren en begrijpen
Klanten kunnen betrokken zijn in co-productie
Mensen kunnen deel zijn van service-ervaring
Operational input en outputs hebben de neiging meer te variëren
Tijd speelt grote rol
Distributie langs niet-fysieke kanalen
Van product naar service:
Verservicing and servitization
, Van eenmalig naar continue
Voorbeelden verservicing: Tesla, Swapfiets en NS.
Data-driven services= waarde van service gedreven door date van klant(en).
Merken verhogen de gepercipieerde waarde voor klanten, trekken klanten aan en beoordelen
voorkeuren en keuzes.
Customer-based brand equity= het verschil in reactie van een consument op een product door het
wel of niet weten van de merknaam.
Merknaam:
Makkelijk uitspreken, herkennen en herinneren (ipad)
Onderscheidend (moof)
Uitbreidbaar (uber)
Makkelijk en correct overdraagbaar naar andere talen
Beschermd (niet overlappen met bestaande namen)
Merksponsorship:
Producentenmerk (national brand)= producent brengt product op markt onder eigen naam.
Huismerk (private label)= producent brengt product op markt onder naam van retailer
(premium- regular - discount/economy)
Licenties= eigenaar van een merk laat andere producent toe om merknaam te gebruiken (sieraden
Disney).
Co-branding= 2 merken worden gebruikt op eenzelfde product. Ze komen uit verschillende
categorieën (lays, heinz).
, Customer-centered: hoe kunnen we waarde creëren voor de klant?
Team-based: bedrijfsonderdelen werken samen voor efficiëntie
Systematisch: op georganiseerde manier met overzicht
Disruptie= nieuwe technologie die onderpresteert tov gevestigde technologieën, maar die gevestigde
technologieën uiteindelijk gaat vervangen doordat prestaties verbeteren
Initieel: onderpresteerd aan gewaardeerde dingen
Door de tijd: prestaties verbeteren
Inherent disruptief= disrupties voor sommigen, ondersteunend voor anderen
Voorbeelden: spotify, uber en AirBNB
Product= een fysiek iets wat je kan aanbieden aan de klant zoals aandacht, aankoop, gebruik of
verbruik om te voldoen aan de behoefte.
Service= een niet-fysiek iets wat je kan aanbieden aan de klant zoals activiteiten, voordelen of
bevredigingen van een behoefte dat niet tot eigendom leidt.
3 niveaus:
1. Core product: de essentie, waar draait het eigenlijk om?
2. Actual product: wat erbij komt om het een echt product te maken
3. Augmented product: wat erbij komt om de customer experience te vervolledigen
4 grote types consumentenproducten:
1. Convenience producten: mc, krant
2. Shopping producten: kleding
3. Specialty producten: chanel
4. Unsought producten: verzekeringen
5 belangrijke beslissingen:
1. Producteigenschappen
2. Merk
3. Verpakking
4. Label en logo
5. Ondersteuningsservices
Productlijnen= groepen van producten die erg op elkaar lijken
Product line length= het aantal producten binnen een productlijn. (kan toenemen door line
stretching en line filling).
Productmix= alle productlijnen en individuele producten die een bedrijf aanbiedt.
Breedte - Lengte - diepte - consistentie
Customization= elke klant een eigen product
Visies van services:
Intangibility (onbegrijpbaar)= services kan je niet zien, proeven, horen, voelen of ruiken voor
aankoop.
Variability (variabiliteit)= kwaliteit hangt af van wie, waar, wanneer en hoe
Inseperability (onafscheidelijk)= services kan je niet scheiden van wie de service verleent
Perishability (vergankelijkheid)= services kan je niet opslaan voor later gebruik
Genuanceerde visie: 8 mogelijke verschillen
De meeste services kan je niet opslaan
Niet-fysieke elementen domineren meestal de waardecreatie
Moeilijk te visualiseren en begrijpen
Klanten kunnen betrokken zijn in co-productie
Mensen kunnen deel zijn van service-ervaring
Operational input en outputs hebben de neiging meer te variëren
Tijd speelt grote rol
Distributie langs niet-fysieke kanalen
Van product naar service:
Verservicing and servitization
, Van eenmalig naar continue
Voorbeelden verservicing: Tesla, Swapfiets en NS.
Data-driven services= waarde van service gedreven door date van klant(en).
Merken verhogen de gepercipieerde waarde voor klanten, trekken klanten aan en beoordelen
voorkeuren en keuzes.
Customer-based brand equity= het verschil in reactie van een consument op een product door het
wel of niet weten van de merknaam.
Merknaam:
Makkelijk uitspreken, herkennen en herinneren (ipad)
Onderscheidend (moof)
Uitbreidbaar (uber)
Makkelijk en correct overdraagbaar naar andere talen
Beschermd (niet overlappen met bestaande namen)
Merksponsorship:
Producentenmerk (national brand)= producent brengt product op markt onder eigen naam.
Huismerk (private label)= producent brengt product op markt onder naam van retailer
(premium- regular - discount/economy)
Licenties= eigenaar van een merk laat andere producent toe om merknaam te gebruiken (sieraden
Disney).
Co-branding= 2 merken worden gebruikt op eenzelfde product. Ze komen uit verschillende
categorieën (lays, heinz).
, Customer-centered: hoe kunnen we waarde creëren voor de klant?
Team-based: bedrijfsonderdelen werken samen voor efficiëntie
Systematisch: op georganiseerde manier met overzicht
Disruptie= nieuwe technologie die onderpresteert tov gevestigde technologieën, maar die gevestigde
technologieën uiteindelijk gaat vervangen doordat prestaties verbeteren
Initieel: onderpresteerd aan gewaardeerde dingen
Door de tijd: prestaties verbeteren
Inherent disruptief= disrupties voor sommigen, ondersteunend voor anderen
Voorbeelden: spotify, uber en AirBNB