H42 het Verteringsstelsel
pagina: 972 t/m 994
H42.1 Essentiële nutriënten
Elk dier leeft op voeding, wat bestaat uit andere organismen. Zo zijn er herbivoren, die
alleen planten eten, carnivoren, die alleen vlees eten en omnivoren, die beiden eten.
Voeding is nodig voor drie behoeften: Chemische energie, organische moleculen om
macromoleculen te bouwen en essentiële
nutriënten.
Chemische energie wordt gehaald uit
koolwaterstoffen en eiwitten en is nodig om
ATP te maken waardoor cellen hun werk
kunnen blijven doen. Organische moleculen,
zoals koolstof en stikstof, worden gehaald uit
suikers en eiwitten en zijn nodig om
bijvoorbeeld te kunnen groeien.
Essentiële nutriënten
stoffen die een organisme niet zelf kan maken
noem je essentiële nutriënten. Hieronder vallen:
- essentiële aminozuren zijn aminozuren die dieren nodig hebben in een van te
voren gemaakte vorm. Veel van deze aminozuren kunnen worden gehaald uit
dierlijke producten zoals vlees, kaas en eieren. De acht essentiële aminozuren voor
de mens zijn:
- isoleucine
- leucine
- lysine
- methionine
- phenylalanine
- threonine
- tryptofaan
- valine
- histidine (voor kinderen)
- essentiële vetzuren worden gebruikt om onder andere membraan fosfolipiden te
maken, signaalmoleculen en vet gebruikt voor opslag. Dieren kunnen niet de dubbele
binding maken in sommige essentiële vetzuren en daarom halen ze deze uit zaadjes,
granen en groenten. Een voorbeeld van een essentiële vetzuur is linoleic acid.
, - vitaminen zijn organische moleculen die nodig zijn in kleine hoeveelheden. Mensen
hebben er 13 nodig, gegroepeerd in twee groepen: Wateroplosbaar en vet
oplosbaar. Te veel vitaminen is voor wateroplosbaar niet erg, voor vet oplosbaar
echter wel, deze kunnen opstapelen in het vetweefsel en dan giftig worden.
- wateroplosbaar:
- B2 wordt gebruikt om FAD te maken, voor de metabolisme
- C wordt gebruikt voor het maken van steunweefsel
- Vetoplosbaar
- A zorgt voor visuele pigmenten in het oog
- D helpt bij calcium absorptie en het maken van botten
- mineralen zijn anorganische voedingsstoffen, vaak zijn het ionen zoals ijzer en
calcium. Ze hebben verschillende functies zoals hieronder in de figuur wordt
weergegeven.
pagina: 972 t/m 994
H42.1 Essentiële nutriënten
Elk dier leeft op voeding, wat bestaat uit andere organismen. Zo zijn er herbivoren, die
alleen planten eten, carnivoren, die alleen vlees eten en omnivoren, die beiden eten.
Voeding is nodig voor drie behoeften: Chemische energie, organische moleculen om
macromoleculen te bouwen en essentiële
nutriënten.
Chemische energie wordt gehaald uit
koolwaterstoffen en eiwitten en is nodig om
ATP te maken waardoor cellen hun werk
kunnen blijven doen. Organische moleculen,
zoals koolstof en stikstof, worden gehaald uit
suikers en eiwitten en zijn nodig om
bijvoorbeeld te kunnen groeien.
Essentiële nutriënten
stoffen die een organisme niet zelf kan maken
noem je essentiële nutriënten. Hieronder vallen:
- essentiële aminozuren zijn aminozuren die dieren nodig hebben in een van te
voren gemaakte vorm. Veel van deze aminozuren kunnen worden gehaald uit
dierlijke producten zoals vlees, kaas en eieren. De acht essentiële aminozuren voor
de mens zijn:
- isoleucine
- leucine
- lysine
- methionine
- phenylalanine
- threonine
- tryptofaan
- valine
- histidine (voor kinderen)
- essentiële vetzuren worden gebruikt om onder andere membraan fosfolipiden te
maken, signaalmoleculen en vet gebruikt voor opslag. Dieren kunnen niet de dubbele
binding maken in sommige essentiële vetzuren en daarom halen ze deze uit zaadjes,
granen en groenten. Een voorbeeld van een essentiële vetzuur is linoleic acid.
, - vitaminen zijn organische moleculen die nodig zijn in kleine hoeveelheden. Mensen
hebben er 13 nodig, gegroepeerd in twee groepen: Wateroplosbaar en vet
oplosbaar. Te veel vitaminen is voor wateroplosbaar niet erg, voor vet oplosbaar
echter wel, deze kunnen opstapelen in het vetweefsel en dan giftig worden.
- wateroplosbaar:
- B2 wordt gebruikt om FAD te maken, voor de metabolisme
- C wordt gebruikt voor het maken van steunweefsel
- Vetoplosbaar
- A zorgt voor visuele pigmenten in het oog
- D helpt bij calcium absorptie en het maken van botten
- mineralen zijn anorganische voedingsstoffen, vaak zijn het ionen zoals ijzer en
calcium. Ze hebben verschillende functies zoals hieronder in de figuur wordt
weergegeven.