Ga er steeds vanuit dat T=298 K.
Opgave 1
Bereken de pH van de volgende oplossingen.
a 0,40 M HCOOH (methaanzuur)
b 0,20 M aluminiumnitraat
c 0,050 M zwavelzuur
Opgave 2
a bereken de verhouding [HF]:[F-] in een oplossing met pH =3,5.
b bereken de verhouding [H2PO4-][HPO42-] in een oplossing met pH = 4,20.
c bereken hoeveel procent van benzeencarbonzuur (C6H5COOH) een H+ heeft
afgestaan in een oplossing van pH = 4,50.
Opgave 3
a Bereken hoeveel mol azijnzuur je op moet lossen in 1,00 liter water om een
oplossing te krijgen met pH = 4,1.
b Bereken hoeveel gram H2Se je moet oplossen in 500 mL water om een oplossing
te krijgen met pH = 3,20.
Opgave 4
Sjakie lost 0,15 mol van een onbekend zuur op in 500 mL water. De pH=2,00.
Bereken de Kz van dit zuur.
Soorten opgaven
1. Kz en molariteit zijn gegeven, pH wordt gevraagd. 1a 1 b
2. pH en molariteit zijn gegeven, Kz wordt gevraagd 4
3. Kz en pH zijn gegeven, molariteit wordt gevraagd 3a, 3b
4. Bereken [geconjugeerde base]:[zwak zuur] bij gegeven pH, 2a, 2b
5. Bereken hoeveel % van een zwak zuur een H+ heeft afgestaan bij een
bepaalde pH: 2c