3 belangrijke begrippenparen:
Causaal (oorzaak aanpakken) vs. Symptomatisch (symptomen bestrijden/uiting. Vb. pijnstiller)
Curatief (genezing) vs. Palliatief (verzachtend)
Operatief (snijden) vs. Conservatief (gipsen)
Deze begrippenparen sluiten elkaar niet uit. Een therapie kan operatief en palliatief tegelijk zijn.
Recidief: Er is geen sprake van een chronische ziekte. Maar een komt opnieuw terug. Er zijn
een tijdje geen symptomen meer geweest.
Exacerbatie: Een chronische ziektebeloop. Klachten zakken af en die klachten blijven altijd wel wat
aanwezen en dan een periode dat die klachten toenemen.
Remissie: Klachten worden minder erg bij een chronische ziekte.
Progressief: Wordt steeds erger in de tijd. Ga je uiteindelijk dood aan.
Wanneer zou je als verpleegkundige gebruik maken van:
Percussie: Het bekloppen van het oppervlakte van het lichaam om aan de hand van het
klopgeluid de toestand van de eronder liggende organen vast te stellen. Vulling van
urineblaas, hoogte baarmoeder na bevalling.
Auscultatie: Het luisteren van lichaamsgeluiden met behulp van een stethoscoop of een
hoorbuis. bloeddruk
Palpatie: Het uitwendig of inwendig met de hand of handen voelen als onderdeel van het
geneeskundig onderzoek. De pols, temperatuur huid.
Rectaal toucher is dat iets wat je soms moet doen:
- Het onderzoeken van het rectum. Om te kijken of het prostaat vergoot is of om te kijken hoe
de baarmoeder ligt.
Farmacodynamiek: Het effect van het geneesmiddel. Wat het geneesmiddel doet in het lichaam. Wat
ondertussen het lichaam doet met dat geneesmiddel. Het effect wat het lichaam heeft van dat
geneesmiddel(therapeutische effect, bijv. pijn verlichten.)
Farmacokinetiek: De werking van het geneesmiddel in het lichaam. Wat het lichaam met het
geneesmiddel doet. Wat doet het lichaam met het middel dat binnenkomt(opnemen, verdelen,
uitscheiden)
Enteraal: via maag/darm stelsel. Oraal of rectaal.
Parenteraal: dan omzeil je het maag/darm stelsel. Intraveneus, intra cutaan, intra musculair,
subcutaan, inhalatie, lokale toediening (transdermaal) (zalf), druppels, via de neus,
oordruppels, vaginale toediening.
Farmacokinetische fasen doorloopt het geneesmiddel in het lichaam:
- Resorptie: opname
- Distributie: verdelen (via bloed)
- Werking in de weefsels
- Komt dan langs het lever en wordt dan omgezet.
- Metabolisering: omzetting
- Excretie: uitscheiding. Via de urine of darmen.
Eliminatie medicijn. Uitschakelen van het medicijn.
1
,Opname medicijn, komt steeds meer van het medicijn in je bloed (biologische beschikbaarheid). Als
alles is opgenomen. Dan komt het langs de lever. Dan zakt het medicijn weer af. Als de halfwaardetijd
is aangebroken. Dan kun je een nieuwe dosering toedienen om zo de pijn te blijven te bestrijden.
MEC (minimaal effectieve concentratie):
- Daaronder is het niet werkzaam.
MVC(maximaal veilige concentratie):
- Dan wordt het toxisch, giftig voor je lichaam.
Therapeutische breedte:
- Tussen het MEC en MVC. Hoe groter de therapeutische breedte, hoe minder kans op
vergiftiging.
Oraal toegediende geneesmiddel:
Via maagdarmkanaal binnen. Dan lever en nieren staan met elkaar in verbinding door poortader. Gaat
dan langs de lever (breekt het al een deel af). Dat maakt dat die biologische beschikbaarheid geen
100 % is. Dan komt 80 % in het bloed. First pase effect.
Parenteraal toegediende geneesmiddel:
Dan vermijdt je de lever die dan het geneesmiddel afbreekt. Dan krijg je 100 % in het bloed.
2
, Werkcollege aantekeningen in de les week 2:
Atelectase: samenklappen van een klein gedeelte van de long.
Aandoening van de longen:
Verschillen COPD en astma:
- COPD wordt niet beter en astma kun je overheen groeien.
- Astma zie je vaak bij kinderen en COPD op latere leeftijd.
- COPD gaan de longblaasjes kapot (longemfyseem), astma bronchiale hyperreactiviteit
(bronchiën zijn telkens ontstoken).
- Astma vaak allergieën, COPD geen relatie allergieën. Bij astma kun je ook antihistaminica
toedienen.
Overeenkomsten COPD en astma:
- Symptomen zijn gelijk: benauwdheid, kortademigheid, slijm, hoesten en piepende
ademhaling.
- Chronische ontsteking van de luchtwegen.
- Spirometer is onderdeel van diagnostiek
- Hypoxie – CO2 toename door verversing.
- Behandeling met:
Schone lucht en niet roken.
Bronchodilatoten (verwijden de luchtwegen door spiertjes te ontspannen)-
luchtwegverwijderaars (wand van de bronchiën).
(inhalatie) corticosteroïden – ontstekingsremmend
Pneumonie:
- longontsteking. Oorzaak is meestal een bacteriële infectie of een virale infectie. Bij een
bronchitis
Pneumothorax:
- klaplong
Alle tumoren worden geclassificeerd met het TNM:
T= tumor, hoe hoger het cijfer erachter hoe groter de tumor.
N= node/klier. Hoe hoger het cijfer erachter hoe dichter bij de tumor of ver weg van de tumor de klier
zit.
M=metastase/uitzaaiingen.
Groen = opereren.
Rood=chemotherapie of radiotherapie.
3