Hoofdstuk 1 en 3
Vragen
Vraag 1: Wat is het verschil tussen een schaars goed en een vrij goed? Geef voorbeelden.
Vraag 2: Leg uit wat de term "middelen" betekent in de context van economie. Hoe hangt dit samen
met behoeften?
Vraag 3: Wat zijn de vier productiefactoren in de economie en wat betekent het acroniem "KANO"?
Vraag 4: Leg het verschil uit tussen een consumptiegoed en een kapitaalgoed. Geef een voorbeeld van
iets dat in verschillende situaties zowel een consumptiegoed als een kapitaalgoed kan zijn.
Vraag 5: Wat zijn de voordelen van indirecte ruil in vergelijking met directe ruil? Beschrijf de
gevolgen van indirecte ruil op de economie.
Vraag 6: Wat zijn de intrinsieke, nominale, interne en externe waarden van geld? Geef voorbeelden
om elk van deze waarden te illustreren.
Vraag 7: Hoe kunnen inflatie en valutakoersen de waarde van geld beïnvloeden?
Vraag 8: Wat zijn de drie hoofdfuncties van geld? Leg elke functie kort uit.
Vraag 9: Wat is het verschil tussen chartaal geld en giraal geld? In welke situaties zou je elk van deze
vormen van geld gebruiken?
Vraag 10: Hoe bereken je enkelvoudige rente (interest) en samengestelde rente (interest)? Geef een
voorbeeld van elk.
Vraag 11: Wat zijn mogelijke spaarmotieven? Noem er minstens drie.
Vraag 12: Hoe werkt een verzekering en wanneer is het nuttig om er een af te sluiten?
Vraag 13: Wat is het verschil tussen een levensverzekering, overlijdensrisicoverzekering en
lijfrenteverzekering? Geef voorbeelden van situaties waarin elk van deze verzekeringen nuttig zou
kunnen zijn.