In eigen woorden weergeven wat de begrippen gezondheid en ziekte
betekenen
Pathologie: hoofdstuk 1
Gezondheid:
Het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke, emotionele
en sociale uitdagingen van het leven.
Ziekte:
Als een afwijking van de normale lichaamsstructuren en functies die resulteert in verstoring van de
vitale functies.
Pathologie:
Is de leer van ziekten in het algemeen
Pathofysiologie:
de leer van de fysiologische processen die tot ziekte leiden
patholoog:
een arts die veranderingen in het lichaam als gevolg van ziekte bestudeerd.
Wat betekenen de begrippen farmacodynamiek en farmacokinetiek?
Farmacokinetiek: Wat het lichaam met het geneesmiddel doet (absorptie, verdeling, eliminatie)
Farmacodynamiek: Wat het effect is van het geneesmiddel op het lichaam (therapeutisch effect
De kenmerken van een ziekte benoemen: symptomatologie en
ziektebeloop.
Pathologie: hoofdstuk 1
Asymptomatisch: deze ziekte verlopen zonder ziekteverschijnselen
Symptomen: bestaan uit subjectieve klachten: pijn, jeuk etc. en daarnaast uit meetbare,
observeerbare verschijnselen zoals hartritme en koorts.
Syndroom: ziekte waarbij er sprake is van eenzelfde combinatie van symptomen.
Subklinisch: je merkt het nog niet
Manifest: het is duidelijk
Prodroom: voortekenen
,Acuut:
- plotseling begin, doorgaans kortdurend en heftig (per acuut; subacuut)
,Causaal: gericht op wegnemen van de oorzaak
Symptomatisch: (slechts) wegnemen van de verschijnselen
Curatief: bedoeld om te genezen (curatief ‘in opzet’)
Palliatief: gericht op verlichten van lijden, levensverlenging
Operatief: m.b.v. operatieve ingreep
Conservatief: chirurgisch, maar zonder operatie
Epidemiologie studie van het voorkomen van ziekten in relatie tot het voorkomen van andere
verschijnselen.
Mortaliteit maat voor sterfte
Morbiditeit mate van voorkomen van ziekte of ziekte gerelateerde beperking (handicaps) in een
populatie.
Comobiditeit/multimorbiditeit is het voorkomen van 2 of meer stoornissen of aandoeningen bij een
persoon.
, De factoren benoemen die de gezondheid kunnen verstoren c.q.
ziekte kunnen veroorzaken.
Pathologie: hoofdstuk 1
Exogeen (van buiten)
- Fysisch (mechanisch, straling, thermisch)
- Chemisch
- Microbiologisch
- Immunologisch
- Voeding
- Psychosociaal
Verbrand, roken, hooikoorts,
Idiopathische ziekte oorzaak van een ziekte is dan niet bekend.
Belangrijkste ziekteoorzaken:
Erfelijkheid: sprake van afwijking in de genen of chromosomen van een persoon
Aangeboren: aangeboren afwijkingen zijn aanwezig bij de geboorte en kunnen erfelijk zijn
Degeneratie: de structuur of werking van de aangedane weefsels of organen gaat geleidelijk
achteruit.
Ontsteking, auto-immuniteit of allergie: de zogenaamde inflammatoire aandoeningen zijn het
gevolg van een verhoogde activiteit van het immuunsysteem. Infectieuze aandoeningen worden
veroorzaakt door bacteriën, virussen en schimmels.
Neoplasmata: kanker. Gevolg van abnormale cel- of weefselgroei.
Metabool: er is sprake van een gestoorde stofwisseling op cellulair niveau.
Traumatisch: het gevolg van een fysische of chemische beschadiging.
Voeding gerelateerd: als gevolg van de inname van te weinig of juist teveel voedingsstoffen.
Ziekteoorzaken kunnen worden onderverdeeld in:
• endogene factoren (van binnenuit, erfelijke
• factoren);
• exogene factoren (van buitenaf, omgevingsfactoren).
drie eenvoudige erfelijkheidspatronen uitgelegd:
• autosomaal recessieve aandoeningen;
• autosomaal dominante aandoeningen;
• geslachtsgebonden recessieve aandoeningen.
Naast deze drie erfelijkheidspatronen bestaat er nog polygene erfelijkheid, waarbij meer dan twee
genen een rol spelen. Het overervingspatroon is dan ingewikkelder en vaak niet geheel bekend.
Autosomaal recessieve aandoeningen