Inleiding
In dit studieonderdeel besteden we aandacht aan Schriftelijke Taalvaardigheden (STV).
Aan de orde komen communicatietheorie en schriftelijke taalvaardigheden.
Als student in het hbo kun je er niet omheen; je dient over een uitstekende (mondelinge
en schriftelijke) taalvaardigheid te beschikken. Niet alleen tijdens de studie zijn een goede
taalvaardigheid en passend taalgedrag een vereiste. Ook in je latere functie als
leidinggevende of projectleider is het belangrijk dat je je zowel mondeling als schriftelijk
correct uit kunt drukken. Voorbeelden hiervan zijn interviews afnemen, presentaties
houden en schrijven van brieven, beleidsnota’s, rapporten, artikelen en instructies.
Realiseer je, dat je als student en later als professional steeds beoordeeld wordt op je
schriftelijke taalvaardigheden en producten.
In dit studieonderdeel focussen wij op de zakelijke schriftelijke taalvaardigheden. We
bieden je de mogelijkheid om deze vaardigheden zodanig te ontwikkelen dat je trots kunt
zijn op je schriftelijke producten.
1. Doelstellingen
Aan het eind van dit studieonderdeel kun je:
een definitie geven van communicatie;
verschillende begrippen uit de communicatietheorie beschrijven;
een (onderzoeks)rapport opstellen volgens de geldende regels, waaronder de APA-
richtlijnen;
een tekst schrijven door gebruik te maken van vaste structuren;
de verschillende fasen van het schrijfproces benoemen;
een zakelijke tekst schrijven volgens de verschillende fasen van het schrijfproces;
correct formuleren.
Tentamenstof en toetsing
Uit het boek Leren Communiceren: hoofdstukken 1, 2, 8 en 9. Wat betreft
hoofdstuk 9: paragraaf 9.4 is geen tentamenstof. Paragraaf 9.2; niet uit het hoofd leren
hoe literatuurverwijzing eruit dient te zien, je mag tijdens het tentamen het document
APA-richtlijnen gebruiken.
,Samenvatting Leren Communiceren blok 1.1
Communicatie wordt opgevat als een uitwisseling van informatie (uitingen) tussen twee partijen: de
zender (schrijver, spreker, ontwikkelaar van een website), en de ontvanger (lezer, luisteraar,
sitebezoeker). Of: Communicatie is een proces waarin door een zender informatie via een kanaal
wordt getransporteerd met het doel effect bij die ontvanger te bewerkstelligen, bewust of onbewust.
Zender = degene die een uiting tot iemand anders richt
Ontvanger = degene die de uiting waarneemt
1.1 De vier aspecten van uiting
In een gesprek beschouwen we elke afzonderlijke bijdrage van een deelnemer als één uiting.
Uiting = bijvoorbeeld geschreven, geprinte teksten, mondelinge presentaties, filmpjes, foto’s,
websites, e-mail, enz.
Verbale, talige uiting = mondelinge of schriftelijke uiting in woorden
Non-verbale, niet-talige communicatie = houding, gebaren, tekens, afbeeldingen
Communicatie is niet alleen het uitwisselen van uitingen. Communicatie gebeurt altijd met bepaalde
doelen. Niet alleen de zender, maar ook de ontvanger heeft bepaalde doelen.
Door middel van de uiting krijgt de ontvanger een bepaald beeld van de zender, of die zender dat nou
wil of niet. De zender geeft, bewust of onbewust, informatie over zichzelf en over de organisatie die
hij mogelijk vertegenwoordigt, en hij laat ook merken hoe hij tegen de ontvanger aankijkt.
Een uiting wordt onderscheid in vier verschillende aspecten:
- Referentiële (zakelijke) aspect: het feitelijke onderwerp van de uiting en wat daarover wordt
gezegd.
- Appellerende aspect: het doel van de uiting: datgene wat de zender wil bereiken.
- Expressieve aspect: beeld dat de uiting geeft van de zender, zijn persoon (normen/waarden).
- Relationele aspect: de manier waarop de zender gezien de uiting aankijkt tegen de ontvanger
en tegen de onderlinge relatie.
Goed communiceren houdt in dat deelnemers aan communicatie – zowel zenders als ontvangers –
oog hebben voor het samenspel van de vier aspecten. Elke uiting bevat alle vier de aspecten. Maar de
nadruk die op de aspecten wordt gelegd kan verschillen.
1.2 Het appellerende aspect: communicatiedoelen
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen directe communicatiedoelen en achterliggende
doelen. Het doel van een uiting is o.a. kennis en meningen te veranderen.
Via communicatie wil de zender kennis, vaardigheden, opvattingen, gedragsintenties of emoties van
de ontvanger beïnvloeden = communicatiedoel zender.
Soort communcatiedoelen vanuit het appellerende aspect -> de zender wil… -> Om bij de ontvanger
invloed uit te oefenen op diens
Informatief doel -> informeren -> kennis over feiten
Instructief doel -> instrueren -> vaardigheden
Persuasief doel -> overtuigen -> opvatting, houding
Motiverend doel -> aanzetten -> gedragsintenties
Affectief doel -> emotioneren -> gevoelens
In de praktijk is er bijna altijd sprake van combinaties van verschillende communicatiedoelen.
, Communicatie in een professionele context dient altijd achterliggende doelen van een organisatie of
individu of taak; die bepalen voor een groot deel welke inhoud en vorm de uiting precies moet
hebben. Achterliggende doelen van een organisatie zijn hiërarchisch te ordenen. Bij de keuze van
doel en inhoud van de uiting moeten achterliggende doelen een doorslaggevende rol spelen.
Ontvangersdoelen:
- Kennis verwerven, vanuit verschillende motieven (nieuwsgierig, praktisch nut, druk buitenaf)
- Vaardigheden verwerven, om taken uit te kunnen voeren. Wat en hoe moet ik iets doen?
- Standpunt bepalen, persoonlijke drijfveer (ergens een mening over vormen), sociale drijfveer
(de omgeving verwacht een mening)
- Beslissingen nemen, wat ga ik doen, wat moet er gebeuren?
- Genieten, ontroerd raken, een uiting kan de ontvanger raken
Als doelen van ontvangers naadloos aansluiten bij die van de zender, spreken we van symmetrische
doelen. Bijvoorbeeld: symmetrie tussen zender- en ontvangersdoelen
Informatief -> zender wil kennis/informatie overdragen -> ontvanger wil kennis verwerven
Instructief -> zender wil aanwijzingen geven -> ontvanger wil vaardigheid verwerven
Persuasief -> zender wil ergens van overtuigen -> ontvanger wil standpunt bepalen
Motiverend -> zender wil aanzetten om iets te doen -> ontvanger wil beslissingen nemen
Affectief -> zender wil gevoelens opwekken -> ontvanger wil genieten, geraakt worden
Zenders laten soms bewust in het midden wat ze precies willen: hun uitingen zijn indirect. Indirecte
uitingen leiden niet per se tot misverstanden en tot het mislukken van de communicatie. Zenders
rekenen op begrip en goede wil bij de ontvangers.
Communicatie is pas volledig effectief als zender en ontvanger beiden hun doelen bereiken. Dat
hangt af van twee voorwaarden: ze moeten het willen en ze moeten het kunnen.
De volgende voorwaarden bepalen of informatieve communicatie effectief is:
- De informatie moet aansluiten bij de voorkennis van de ontvanger;
- De informatie moet voldoende aansluiten bij de behoeften van de ontvanger;
- De uiting moet goed gestructureerd zijn;
- Het taalgebruik moet aansluiten bij de taalvaardigheid van de ontvanger;
- De informatie moet voldoende aandacht krijgen.
De volgende voorwaarden bepalen of instructieve communicatie effectief is:
- Instructieve communicatie is pas effectief als een taak succesvol wordt volbracht
(effectiviteit);
- De uiting moet helpen de taak efficiënt uit te voeren;
- De uiting moet inzicht geven in de logica van de taak;
- De informatie moet leerbaar zijn, de taak wordt aangeleerd;
- De tekst motiveert de ontvanger om de instructie uit te voeren.
Daarnaast:
- De instructie moet volledig zijn;
- De instructie moet de juiste mate van detail hebben;
- De stappen moeten in de juiste volgorde staan;
- De instructie moet logisch zijn in de ogen van de ontvanger;
- Het taalgebruik moet duidelijk zijn.