Atletiek
Hoofdstuk 2 Start en Sprint
Lopen is de basis in de atletiek. Lopen sport voor veel andere sporten een basis.
Loopnummers op de baan en de volgende onderdelen:
Sprint 100 M, 200 M en 400 M
Middenafstand 800 M, 1000 M, 1500 M en 2000 M
Lange afstand 3000 M, 5000 M en 10000 M
Horden 100 M voor dames, 110 M voor heren, 400 M voor dames en heren
Fasen van 100 meter spring:
Sprintloop in vier fase onderverdelen:
1. Start met onder andere reactietijd
2. Positieve snelheid, acceleratie tot maximale snelheid is bereikt
3. Fase van maximale snelheid; fase van volhouden van snelheid
4. Negatieve snelheid; de snelheid neemt de laatste 100 meter af.
De start
‘op je plaatsen’ Sprinter gaat in de startblokken staan.
‘klaar’ De sprinten brengt heupen omhoog en de knie komt los van de grond (Er is optimale
concentratie)
Reactietijd de verstrijking tussen het geven van het signaal en de eerste beweging. De
minimum reactietijd ligt voor een gemiddelde sproten tussen 0,12 en 0,27 seconde.
Acceleratievermogen bij de fase van positieve snelheid
Na de start de maximale snelheid bereiken. Dit speels versnellend af; de lengte van de
acceleratie hangt af va het niveau van de loper. Hoe hoger de te bereiken maximale snelheid
en des te lager dit gedeelte kan duren, des te beter is de loper.
Topsprinters bereiken hun maximale snelheid op 35 meter soms pas op 50 meter.
Ongetrainde en kinderen bereiken bij 22 meter hun maximale snelheid.
Maximale snelheid
Grootste snelheid die de sprinter op korte afstand kan volhouden.
V= S / T
V= Snelheid
S= Afgelegde weg
T=Tijd
Pasfrequentie
,9- 11 jarige jongens 4,4 X per seconde
9- 11 jarige Meisjes 4.0 X per seconde
15-16 jarige jongens 4.0 X per seconde
15-16 jarige Meisjes 3.6 X per seconde
Negatieve snelheid
Deze fase treedt op bij de 80 meter tussen de 50 en 60 meter. Bij de 100 meter bij 70 en 80
meter. Dit is het vermogen weerstand te bieden tegen vermoeidheid. Dit is dus afhankelijk
van vermoeidheid
Paslengte en pasfrequentie
Snelheid van het product. Beide componenten moeten in een optimale verhouding tot
elkaar staan. De samenhang tussen paslengte en frequentie moeten dus goed op elkaar
worden afgestemd.
Verloop paslengte:
- Fase waarin paslengte toeneemt
- Fase waarin de paslengte gelijk blijf
- Fase waarin paslengte toeneemt
Verloop pasfrequentie:
- Oplopende fase tot het maximum van de pasfrequentie
- Fase ‘van geleidelijk minder worden’ van de pasfrequentie
- Fase ‘van het sterke dalen’ van de pasfrequenti
Toepassen start techniek
Bij het toepassen van een starttechniek worden twee starthoudingen toegepast:
- De korte start, de starthouding met enge voetspreiding
- Middenstart, de starthouding met middelgrote voetspreiding
Starthouding Startblokken Afstand
Korte start Voorste startblok 2
Achterste startblok 2.5-2.75
Midden start Voorste startblok 1.75-2
Achterste startblok 3-3.5
Het voorste start blok staat op 45-50 graden
Het achterste start blok staat op 70 – 80 graden.
Middenstarthouding grotere snelheid omdat:
- Betere verdeling in lichaamgewicht over armen en benen in de ‘klaar’- houding
, - Gunstige hoekverhouding in benen
- Betere inwerking van de afzetkracht
‘Op je plaatsen’:
- Handen op schouderbreedte, steunen op toppen van de vingers.
- Schouders recht boven de handen en houdt de armen gestrekt
- Laat de knie van het achterste been op de grond rusten en de voorste knie tussen
beide armen
- Verdeelt drukgevoel over steunpunten
- Ontspannen houding zodat schouder- en nekspieren ontspannen
- Alles in één lijn
‘Klaar’:
- Langzaam omhoog
- Geef druk op de blokken: Belangrijk voor een goede start
- Juiste hoekverhouding in beide benen: Bereiken hoge aanvangssnelheid
- Hoek kniegewricht voorste been: 90-100 graden
- Hoek kniegewricht achterste been: 120-140 graden
- Schouders boven het steunpunt van de handen
- Armen gestrekt houden en zorgt voor een ontspannen hoofdhouding gericht op de
startlijn.
De starthouding
Na de startschot moet de sprinter explosief afzetten.
- Begin van de start helt het lichaam van de sprinter zeer sterk naar voren
- De armen hebben een startversnelling als belangrijke ondersteunende functie.
Bewegingsbeschrijving sprint
- Steunfase
- Zweeffase
Romp- en armbewegingen bij de sprint
- Ondersteuning van afstoot van het achterste been
- Bewaren van balans van het lichaam
- Armen bewegen rustig en is tegengesteld van de beenbeweging. Voorste hand wordt
doorgezwaaid tot schouderhoogte. Handen zijn ontspannen.
, -
Betekenis wedstrijdterein
Rechte startlijn 40-100 meter of 60-110 meter horde.
Versprongen startlijn 150-400 meter. 800 meter, 300 meter horden, 400 meter horden, alle
estafettes met uitzondering 4x 1500 meter.
Gebogen lijn 600 meter en lange afstanden, 4 x 1500 meter estafette
Juryleden
Startcommisaris:
- wijst deelnemers hun baan toe
- Let op dragen en plaatsen startnummer
- Zorgt voor startblokken op de juiste plaats
- Controleert bij knielstart:
1. Handen achter de lijn
2. Een knie contact met de aan
3. Beide voeden contact met het startblok
- Bij valse start rode kaart of diskwalificatie
Starter:
- Commando’s geven
- Valse start en uitsluiting van de wedstrijd
Hoofdstuk 2 Start en Sprint
Lopen is de basis in de atletiek. Lopen sport voor veel andere sporten een basis.
Loopnummers op de baan en de volgende onderdelen:
Sprint 100 M, 200 M en 400 M
Middenafstand 800 M, 1000 M, 1500 M en 2000 M
Lange afstand 3000 M, 5000 M en 10000 M
Horden 100 M voor dames, 110 M voor heren, 400 M voor dames en heren
Fasen van 100 meter spring:
Sprintloop in vier fase onderverdelen:
1. Start met onder andere reactietijd
2. Positieve snelheid, acceleratie tot maximale snelheid is bereikt
3. Fase van maximale snelheid; fase van volhouden van snelheid
4. Negatieve snelheid; de snelheid neemt de laatste 100 meter af.
De start
‘op je plaatsen’ Sprinter gaat in de startblokken staan.
‘klaar’ De sprinten brengt heupen omhoog en de knie komt los van de grond (Er is optimale
concentratie)
Reactietijd de verstrijking tussen het geven van het signaal en de eerste beweging. De
minimum reactietijd ligt voor een gemiddelde sproten tussen 0,12 en 0,27 seconde.
Acceleratievermogen bij de fase van positieve snelheid
Na de start de maximale snelheid bereiken. Dit speels versnellend af; de lengte van de
acceleratie hangt af va het niveau van de loper. Hoe hoger de te bereiken maximale snelheid
en des te lager dit gedeelte kan duren, des te beter is de loper.
Topsprinters bereiken hun maximale snelheid op 35 meter soms pas op 50 meter.
Ongetrainde en kinderen bereiken bij 22 meter hun maximale snelheid.
Maximale snelheid
Grootste snelheid die de sprinter op korte afstand kan volhouden.
V= S / T
V= Snelheid
S= Afgelegde weg
T=Tijd
Pasfrequentie
,9- 11 jarige jongens 4,4 X per seconde
9- 11 jarige Meisjes 4.0 X per seconde
15-16 jarige jongens 4.0 X per seconde
15-16 jarige Meisjes 3.6 X per seconde
Negatieve snelheid
Deze fase treedt op bij de 80 meter tussen de 50 en 60 meter. Bij de 100 meter bij 70 en 80
meter. Dit is het vermogen weerstand te bieden tegen vermoeidheid. Dit is dus afhankelijk
van vermoeidheid
Paslengte en pasfrequentie
Snelheid van het product. Beide componenten moeten in een optimale verhouding tot
elkaar staan. De samenhang tussen paslengte en frequentie moeten dus goed op elkaar
worden afgestemd.
Verloop paslengte:
- Fase waarin paslengte toeneemt
- Fase waarin de paslengte gelijk blijf
- Fase waarin paslengte toeneemt
Verloop pasfrequentie:
- Oplopende fase tot het maximum van de pasfrequentie
- Fase ‘van geleidelijk minder worden’ van de pasfrequentie
- Fase ‘van het sterke dalen’ van de pasfrequenti
Toepassen start techniek
Bij het toepassen van een starttechniek worden twee starthoudingen toegepast:
- De korte start, de starthouding met enge voetspreiding
- Middenstart, de starthouding met middelgrote voetspreiding
Starthouding Startblokken Afstand
Korte start Voorste startblok 2
Achterste startblok 2.5-2.75
Midden start Voorste startblok 1.75-2
Achterste startblok 3-3.5
Het voorste start blok staat op 45-50 graden
Het achterste start blok staat op 70 – 80 graden.
Middenstarthouding grotere snelheid omdat:
- Betere verdeling in lichaamgewicht over armen en benen in de ‘klaar’- houding
, - Gunstige hoekverhouding in benen
- Betere inwerking van de afzetkracht
‘Op je plaatsen’:
- Handen op schouderbreedte, steunen op toppen van de vingers.
- Schouders recht boven de handen en houdt de armen gestrekt
- Laat de knie van het achterste been op de grond rusten en de voorste knie tussen
beide armen
- Verdeelt drukgevoel over steunpunten
- Ontspannen houding zodat schouder- en nekspieren ontspannen
- Alles in één lijn
‘Klaar’:
- Langzaam omhoog
- Geef druk op de blokken: Belangrijk voor een goede start
- Juiste hoekverhouding in beide benen: Bereiken hoge aanvangssnelheid
- Hoek kniegewricht voorste been: 90-100 graden
- Hoek kniegewricht achterste been: 120-140 graden
- Schouders boven het steunpunt van de handen
- Armen gestrekt houden en zorgt voor een ontspannen hoofdhouding gericht op de
startlijn.
De starthouding
Na de startschot moet de sprinter explosief afzetten.
- Begin van de start helt het lichaam van de sprinter zeer sterk naar voren
- De armen hebben een startversnelling als belangrijke ondersteunende functie.
Bewegingsbeschrijving sprint
- Steunfase
- Zweeffase
Romp- en armbewegingen bij de sprint
- Ondersteuning van afstoot van het achterste been
- Bewaren van balans van het lichaam
- Armen bewegen rustig en is tegengesteld van de beenbeweging. Voorste hand wordt
doorgezwaaid tot schouderhoogte. Handen zijn ontspannen.
, -
Betekenis wedstrijdterein
Rechte startlijn 40-100 meter of 60-110 meter horde.
Versprongen startlijn 150-400 meter. 800 meter, 300 meter horden, 400 meter horden, alle
estafettes met uitzondering 4x 1500 meter.
Gebogen lijn 600 meter en lange afstanden, 4 x 1500 meter estafette
Juryleden
Startcommisaris:
- wijst deelnemers hun baan toe
- Let op dragen en plaatsen startnummer
- Zorgt voor startblokken op de juiste plaats
- Controleert bij knielstart:
1. Handen achter de lijn
2. Een knie contact met de aan
3. Beide voeden contact met het startblok
- Bij valse start rode kaart of diskwalificatie
Starter:
- Commando’s geven
- Valse start en uitsluiting van de wedstrijd