Turnen
66-70
71-72 3.8 -2.8.2
142-145
150
174-183
194 - 205
208-212
216-221
346- 371
, 66-70
Afzetreacties
Om energie op te wekken en bewegingen uit te voeren maakt een beweger gebruik van afzetreacties.
Afzetreacties zonder aanvangsnelheid vinden plaats tijdens sprongen uit stand. De bewegingenergie
is aan het einde van de afzet als gevolg van de trekking van het begin en de afzet van gebogen
gewrichten.
Afzetreacties met aanvangsnelheid is er sprake van snelheid bij de afzet. De aanvangsnelheid kan
bestaan uit horizontale-verticale en rotatiesnelheid en een combinatie hiervan.
Verend oppervlak energie uit de landing die gaat aan een afzetreactie op te slaan en deze energie
tijdens de afzet weer te geven als bewegingsenergie.
Ontstaan van rotaties
Rotatie is afhankelijk van het moment
Translatie energie wordt vaak omgezet in rotatie energie..
Excentrische afzet Verticale moment door de afzetkracht voor of achter het algemene
lichaamszwaartepunt.
Bepalende factoren voor het afzetvlak bij een trampoline:
- Schuin in de aanlooprichting
- Recht
- Schuin in de landingsrichting
Aan het einde van de afzethouding is er vaak sprake van een holle/bolle lichaamshouding. De
afstootkracht werkt achter het algemene lichaamszwaarte punt er is dus een excentrische afzet en
het lichaam zal een rotatie-impuls geven.
Rotatie door arm en been acties
Arm, romp en beenbewegingen die tijdens de afzet worden gemaakt, kunnen voor rotatie na de afzet
zorgen. Bij de afzet wordt de bewegingsenergie van de springer bepaald door de hoeveelheid energie
tijdens de zweeffase. Zwaartepunt en draaiing staan vast
Rotatie tijdens de zweeffase
Rotaties tijdens de zweeffase kunne verdeeld worden in rotaties en schijnrotaties. Rotaties zijn
rotaties die nooit stilgezet kunnen worden. De rotaties bij turnen blijven bestaat lang de zweeffase
duurt.
Schijnrotaties zijn rotaties die ontstaan door het veranderen van de stand van de lichaamsdelen t.o.v
elkaar. Ze duren zolang de lichaamsdelen ten opzichte van elkaar van stand veranderen. Door de
schijnrotatie ontstaat er een andere groepering van lichaamsdelen rond het zwaartepunt.
Landingsproblematiek
Landingsproblematiek zijn de situaties waarin een beweger, na een zweefperiode, weer in contact
komt met de grond of het toestel.
Er zijn twee soorten landingen
- Landing tot stilstand
Alle bewegingenergie wordt geneutraliseerd. De elastische structuren die aanwijzig zijn in het
landingsvlak en het lichaam van de gymnast zullen tot rust gekomen moeten zijn.
, - Landing met vervolgbeweging
De oefening wordt vervolgd door een andere oefening. Door de ontlading van de elasticiteit kan er
weer een impuls aan de beweging worden toegevoegd. Tijdens de landing is er ook sprake van een
hoeveelheid rotatie energie die geneutraliseerd moet worden.
Rotatie tijdens landingen
Rotaties die aanwezig waren voor de landing kunnen versterkt of juist geneutraliseerd worden door
rotaties die tijdens de landign ontstaan. Z
66-70
71-72 3.8 -2.8.2
142-145
150
174-183
194 - 205
208-212
216-221
346- 371
, 66-70
Afzetreacties
Om energie op te wekken en bewegingen uit te voeren maakt een beweger gebruik van afzetreacties.
Afzetreacties zonder aanvangsnelheid vinden plaats tijdens sprongen uit stand. De bewegingenergie
is aan het einde van de afzet als gevolg van de trekking van het begin en de afzet van gebogen
gewrichten.
Afzetreacties met aanvangsnelheid is er sprake van snelheid bij de afzet. De aanvangsnelheid kan
bestaan uit horizontale-verticale en rotatiesnelheid en een combinatie hiervan.
Verend oppervlak energie uit de landing die gaat aan een afzetreactie op te slaan en deze energie
tijdens de afzet weer te geven als bewegingsenergie.
Ontstaan van rotaties
Rotatie is afhankelijk van het moment
Translatie energie wordt vaak omgezet in rotatie energie..
Excentrische afzet Verticale moment door de afzetkracht voor of achter het algemene
lichaamszwaartepunt.
Bepalende factoren voor het afzetvlak bij een trampoline:
- Schuin in de aanlooprichting
- Recht
- Schuin in de landingsrichting
Aan het einde van de afzethouding is er vaak sprake van een holle/bolle lichaamshouding. De
afstootkracht werkt achter het algemene lichaamszwaarte punt er is dus een excentrische afzet en
het lichaam zal een rotatie-impuls geven.
Rotatie door arm en been acties
Arm, romp en beenbewegingen die tijdens de afzet worden gemaakt, kunnen voor rotatie na de afzet
zorgen. Bij de afzet wordt de bewegingsenergie van de springer bepaald door de hoeveelheid energie
tijdens de zweeffase. Zwaartepunt en draaiing staan vast
Rotatie tijdens de zweeffase
Rotaties tijdens de zweeffase kunne verdeeld worden in rotaties en schijnrotaties. Rotaties zijn
rotaties die nooit stilgezet kunnen worden. De rotaties bij turnen blijven bestaat lang de zweeffase
duurt.
Schijnrotaties zijn rotaties die ontstaan door het veranderen van de stand van de lichaamsdelen t.o.v
elkaar. Ze duren zolang de lichaamsdelen ten opzichte van elkaar van stand veranderen. Door de
schijnrotatie ontstaat er een andere groepering van lichaamsdelen rond het zwaartepunt.
Landingsproblematiek
Landingsproblematiek zijn de situaties waarin een beweger, na een zweefperiode, weer in contact
komt met de grond of het toestel.
Er zijn twee soorten landingen
- Landing tot stilstand
Alle bewegingenergie wordt geneutraliseerd. De elastische structuren die aanwijzig zijn in het
landingsvlak en het lichaam van de gymnast zullen tot rust gekomen moeten zijn.
, - Landing met vervolgbeweging
De oefening wordt vervolgd door een andere oefening. Door de ontlading van de elasticiteit kan er
weer een impuls aan de beweging worden toegevoegd. Tijdens de landing is er ook sprake van een
hoeveelheid rotatie energie die geneutraliseerd moet worden.
Rotatie tijdens landingen
Rotaties die aanwezig waren voor de landing kunnen versterkt of juist geneutraliseerd worden door
rotaties die tijdens de landign ontstaan. Z