agns1b2
REVOLUTION IN POLITICS 1775-1815
Background to revolution
De oorsprong van de late-18e-eeuwse revoluties in Brits Noord-Amerika, Frankrijk en Haïti waren complex. Er
was niet 1 oorzaak en de revolutie was ook niet onvermijdelijk of gepland. Bepaalde belangrijke factoren
hielpen het toneel zetten voor hervorming, zoals sociale en economische veranderingen en politieke crises die
de macht van de staat weg deden slijten. Een andere oorzaak waren de politieke ideeën van de Verlichting.
Financiële crises door oorlog brachten Europese staten op hun knieën en zorgden ervoor dat abstracte
discussies over hervorming realiteit werden.
Sociale veranderingen
18e-eeuwse Europeese maatschappij was verdeeld in groepen met speciale privileges, zoals de adel en
geestelijkheid, en een groep met speciale lasten, zoals de boeren. Adel was de grootste landbezitter en hoefde
geen directe belasting te betalen, had recht om te jagen, zwaard te hebben en goud in hun kleding te dragen. In
de meeste landen hadden verschillende groepen van de middenklasse privileges waardoor ze economische
activiteiten konden monopoliseren. Arme boeren en stedelijke arbeiders moesten de belasting betalen en
hadden geen privileges.
Traditionele voorrechten van de elitegroepen bleven in maatschappijen die drastische en destabiliserende
verandering ondergingen. Europa’s bevolking groeide snel na 1750 → steden en dorpen groeiden.
Inflatie hield de bevolkingsgroei bij → moeilijker om voedsel en leefruimte te kunnen betalen. De armen
hielden het wel bij en konden meedoen in de consumentenrevolutie door harder en langer te werken. Meer
vrouwen en kinderen deden mee in loondienst → daagde traditionele hiërarchie en gewoonten van dorpsleven
uit.
Economische groei → nieuwe ongelijkheden tussen rijken en armen. De armen worstelden met stijgende
prijzen, investeerders werden rijk door de verspreiding van fabricagegoederen in de provincie en van de
overzeese handel. Ondernemende adel stak geld in handel en stijgende middenklasse bureaucraten en
handelaren kochten landgoederen en adellijke titels → oude verschillen tussen oude adel en stadshandelaren
vervaagden. Bruiloften tussen adel en bourgeoisie dienden interesses van beide groepen en een gemixte elite
begon zich te vormen. Oude privileges leken een ondraaglijke last voor veel waarnemers.
Groeiende eis voor vrijheid en gelijkheid
Naast destabilisering door sociale verandering, hielpen de idealen van vrijheid en gelijkheid met het doen
groeien van revolutie in de Atlantische wereld.
De roep voor vrijheid was allereerst de roep voor individuele mensenrechten. Liberalen wilden vrijheid van
godsdienst, een einde aan censuur en vrijheid van arbitraire wetten en rechters die de orders van de overheid
volgden. De Verklaring van de Rechten van Mens en Burger verkondigde dat vrijheid bestond uit alles kunnen
doen zolang het een ander mens geen kwaad deed. In de context van de monarchale en absolute vorm van
regeren, was dit een radicaal idee.
De roep naar vrijheid was ook de roep naar een nieuwe soort overheid. Hervormers geloofden dat het volk de
soevereiniteit moest hebben. Dit systeem van regering betekende wetgevers kiezen die het volk representeerde
en aan hen verantwoordelijk waren.
Gelijkheid was een meer dubbelzinnig idee. Liberalen vonden dat alle burgers gelijke rechten en vrijheden
moesten hebben en dat de adel geen recht tot speciale privileges had gebaseerd op geboorte. Ze accepteerden
een aantal onderscheidingen:
o Liberalen waren meestal mannen van hun tijd en geloofden dat gelijkheid tussen
man en vrouw onhandig en ongewenst was;
o Weinig twijfelden aan de ongelijkheid tussen zwart en wit;
o Men geloofde niet dat iedereen economisch gelijk moest zijn.
Het uiteindelijke punt was dus dat alle vrije, witte man een gelijke kans moest hebben om economisch te
verbeteren. Deze eisen voor vrijheid en gelijkheid waren revolutionair, gezien het feit dat de elite met haar
privileges al lang had bestaan zonder enige tegenstand.
John Locke – vond dat Englands lange politieke traditie steunde op ‘de rechten van Engelsmannen’ en op
representatie door Parlement. Hij vond dat als de overheid zijn functie te boven ging van het beschermen van
de natuurlijke rechten van het leven, de vrijheid en privébezit, dat het een tirannie werd.
Montesquieu – geïnspireerd door de Engelse constitutionele geschiedenis en de Glorious Revolution, die
soevereiniteit bij het Parlement legde. Hij geloofde dat sterke tussengroepen de beste bescherming van vrijheid
tegen despotisme vormden.
Het geloof dat representatieve instituties vrijheid en interesses kon beschermen, sprak de geleerde
middenklasse aan. Liberale ideeën over individuele rechten en politieke vrijheid sprak ook leden van de erfelijke
REVOLUTION IN POLITICS 1775-1815
Background to revolution
De oorsprong van de late-18e-eeuwse revoluties in Brits Noord-Amerika, Frankrijk en Haïti waren complex. Er
was niet 1 oorzaak en de revolutie was ook niet onvermijdelijk of gepland. Bepaalde belangrijke factoren
hielpen het toneel zetten voor hervorming, zoals sociale en economische veranderingen en politieke crises die
de macht van de staat weg deden slijten. Een andere oorzaak waren de politieke ideeën van de Verlichting.
Financiële crises door oorlog brachten Europese staten op hun knieën en zorgden ervoor dat abstracte
discussies over hervorming realiteit werden.
Sociale veranderingen
18e-eeuwse Europeese maatschappij was verdeeld in groepen met speciale privileges, zoals de adel en
geestelijkheid, en een groep met speciale lasten, zoals de boeren. Adel was de grootste landbezitter en hoefde
geen directe belasting te betalen, had recht om te jagen, zwaard te hebben en goud in hun kleding te dragen. In
de meeste landen hadden verschillende groepen van de middenklasse privileges waardoor ze economische
activiteiten konden monopoliseren. Arme boeren en stedelijke arbeiders moesten de belasting betalen en
hadden geen privileges.
Traditionele voorrechten van de elitegroepen bleven in maatschappijen die drastische en destabiliserende
verandering ondergingen. Europa’s bevolking groeide snel na 1750 → steden en dorpen groeiden.
Inflatie hield de bevolkingsgroei bij → moeilijker om voedsel en leefruimte te kunnen betalen. De armen
hielden het wel bij en konden meedoen in de consumentenrevolutie door harder en langer te werken. Meer
vrouwen en kinderen deden mee in loondienst → daagde traditionele hiërarchie en gewoonten van dorpsleven
uit.
Economische groei → nieuwe ongelijkheden tussen rijken en armen. De armen worstelden met stijgende
prijzen, investeerders werden rijk door de verspreiding van fabricagegoederen in de provincie en van de
overzeese handel. Ondernemende adel stak geld in handel en stijgende middenklasse bureaucraten en
handelaren kochten landgoederen en adellijke titels → oude verschillen tussen oude adel en stadshandelaren
vervaagden. Bruiloften tussen adel en bourgeoisie dienden interesses van beide groepen en een gemixte elite
begon zich te vormen. Oude privileges leken een ondraaglijke last voor veel waarnemers.
Groeiende eis voor vrijheid en gelijkheid
Naast destabilisering door sociale verandering, hielpen de idealen van vrijheid en gelijkheid met het doen
groeien van revolutie in de Atlantische wereld.
De roep voor vrijheid was allereerst de roep voor individuele mensenrechten. Liberalen wilden vrijheid van
godsdienst, een einde aan censuur en vrijheid van arbitraire wetten en rechters die de orders van de overheid
volgden. De Verklaring van de Rechten van Mens en Burger verkondigde dat vrijheid bestond uit alles kunnen
doen zolang het een ander mens geen kwaad deed. In de context van de monarchale en absolute vorm van
regeren, was dit een radicaal idee.
De roep naar vrijheid was ook de roep naar een nieuwe soort overheid. Hervormers geloofden dat het volk de
soevereiniteit moest hebben. Dit systeem van regering betekende wetgevers kiezen die het volk representeerde
en aan hen verantwoordelijk waren.
Gelijkheid was een meer dubbelzinnig idee. Liberalen vonden dat alle burgers gelijke rechten en vrijheden
moesten hebben en dat de adel geen recht tot speciale privileges had gebaseerd op geboorte. Ze accepteerden
een aantal onderscheidingen:
o Liberalen waren meestal mannen van hun tijd en geloofden dat gelijkheid tussen
man en vrouw onhandig en ongewenst was;
o Weinig twijfelden aan de ongelijkheid tussen zwart en wit;
o Men geloofde niet dat iedereen economisch gelijk moest zijn.
Het uiteindelijke punt was dus dat alle vrije, witte man een gelijke kans moest hebben om economisch te
verbeteren. Deze eisen voor vrijheid en gelijkheid waren revolutionair, gezien het feit dat de elite met haar
privileges al lang had bestaan zonder enige tegenstand.
John Locke – vond dat Englands lange politieke traditie steunde op ‘de rechten van Engelsmannen’ en op
representatie door Parlement. Hij vond dat als de overheid zijn functie te boven ging van het beschermen van
de natuurlijke rechten van het leven, de vrijheid en privébezit, dat het een tirannie werd.
Montesquieu – geïnspireerd door de Engelse constitutionele geschiedenis en de Glorious Revolution, die
soevereiniteit bij het Parlement legde. Hij geloofde dat sterke tussengroepen de beste bescherming van vrijheid
tegen despotisme vormden.
Het geloof dat representatieve instituties vrijheid en interesses kon beschermen, sprak de geleerde
middenklasse aan. Liberale ideeën over individuele rechten en politieke vrijheid sprak ook leden van de erfelijke