Hoofdstuk 11
Lymfestelsel: zorgt voor verdediging tegen infecties en voert weefselvocht terug naar
bloedbaan. Bestaat uit 2 delen:
1. Netwerk van lymfevaten
2. Lymfeklieren en lymfatische organen
Ruimte tussen bindweefselcellen = interstitiële ruimte. Daar zit weefselvocht. Afkomstig van
haarvaten. Ze nemen namelijk niet al het vocht weer op na het afgeven van zuurstof en
voedingsstoffen.
Organen en structuren die uit lymfatisch weefsel bestaan.
Lymfeklieren – stations die lymfe controleren door macrofagen die bacteriën enz.
opeten. In de klieren zitten ook lymfocyten, die reageren op sommige stoffen in lymfe
Beenmerg – daar ontstaan o.a. lymfocyten. Ontwikkelen verder als B en T-lymfocyten
Milt – zitten veel B-, T-lymfocyten en fagocyten in. Ze filteren stoffen uit het bloed.
Zwezerik – (thymax) leert T-lymfocyten lichaamsvreemde cellen te onderscheiden van
lichaamseigen cellen.
Amandelen – ring van Waldeyer. Fungeren als verdedigingslinie. Keelamandelen:
tonsil neusamandelen: adenoïde
Platen van Peyer – bevat veel macrofagen en B- en T-lymfocyten. Zit op de overgang
tussen de dunne en de bacterierijke dikke darm.
MALT = mucosa-geassocieerd lymfoïde weefsel. Samen beschermen ze de bovenste
luchtwegen en het spijsverteringskanaal.
Belangrijkste waarneembare symptomen van plaatselijke ontstekingsreactie
o Roodheid rubor o Warmte calor o Pijn dolor o Zwelling tumor
o Functieverlies functio laesa
Ontstekingsreactie begint met het afgeven van een alarmsignaal. De beschadigde cellen
geven stoffen (ontstekingsmediatoren), zoals histamine. Heeft verschillende gevolgen:
Ze doen de bloedvaten in het gebied verwijden rubor en calor
Ze verhogen de doorlaatbaarheid (permeabiliteit) van haarvaten tumor en dolor
Ze zorgen ervoor dat fagocyten naar het beschadigde gebied gaan
Pus/etter = mengsel van dode fagocyten (neutrofiele granulocyten en monocyten),
afgestorven weefsel en levende of dode ziekteverwekkers.
Als het lichaam niet in staat is alles op te ruimen komt er een wand om de pus -> abces.
Complementsysteem valt onder antibacteriële eiwitten. Is een reeks van 35 tot 40
verschillende eiwitten, die al vanaf de geboorte in inactieve toestand in de bloedbaan zijn. Ze
worden pas actief als ze zich aan het opp. van een ziekteverwekker hechten. Ze dragen bij
aan de uitschakeling van die ziekteverwekker. Ook spelen ze een rol bij het aantrekken van
fagocyten naar de plaats van infectie. En kunnen afweercellen activeren om geïnfecteerde
cellen te doden.
Als reactie op de ontstekingsstoffen produceert de lever C-reactieve proteïne (CRP) -> stof
die het afweersysteem activeert.
Lymfestelsel: zorgt voor verdediging tegen infecties en voert weefselvocht terug naar
bloedbaan. Bestaat uit 2 delen:
1. Netwerk van lymfevaten
2. Lymfeklieren en lymfatische organen
Ruimte tussen bindweefselcellen = interstitiële ruimte. Daar zit weefselvocht. Afkomstig van
haarvaten. Ze nemen namelijk niet al het vocht weer op na het afgeven van zuurstof en
voedingsstoffen.
Organen en structuren die uit lymfatisch weefsel bestaan.
Lymfeklieren – stations die lymfe controleren door macrofagen die bacteriën enz.
opeten. In de klieren zitten ook lymfocyten, die reageren op sommige stoffen in lymfe
Beenmerg – daar ontstaan o.a. lymfocyten. Ontwikkelen verder als B en T-lymfocyten
Milt – zitten veel B-, T-lymfocyten en fagocyten in. Ze filteren stoffen uit het bloed.
Zwezerik – (thymax) leert T-lymfocyten lichaamsvreemde cellen te onderscheiden van
lichaamseigen cellen.
Amandelen – ring van Waldeyer. Fungeren als verdedigingslinie. Keelamandelen:
tonsil neusamandelen: adenoïde
Platen van Peyer – bevat veel macrofagen en B- en T-lymfocyten. Zit op de overgang
tussen de dunne en de bacterierijke dikke darm.
MALT = mucosa-geassocieerd lymfoïde weefsel. Samen beschermen ze de bovenste
luchtwegen en het spijsverteringskanaal.
Belangrijkste waarneembare symptomen van plaatselijke ontstekingsreactie
o Roodheid rubor o Warmte calor o Pijn dolor o Zwelling tumor
o Functieverlies functio laesa
Ontstekingsreactie begint met het afgeven van een alarmsignaal. De beschadigde cellen
geven stoffen (ontstekingsmediatoren), zoals histamine. Heeft verschillende gevolgen:
Ze doen de bloedvaten in het gebied verwijden rubor en calor
Ze verhogen de doorlaatbaarheid (permeabiliteit) van haarvaten tumor en dolor
Ze zorgen ervoor dat fagocyten naar het beschadigde gebied gaan
Pus/etter = mengsel van dode fagocyten (neutrofiele granulocyten en monocyten),
afgestorven weefsel en levende of dode ziekteverwekkers.
Als het lichaam niet in staat is alles op te ruimen komt er een wand om de pus -> abces.
Complementsysteem valt onder antibacteriële eiwitten. Is een reeks van 35 tot 40
verschillende eiwitten, die al vanaf de geboorte in inactieve toestand in de bloedbaan zijn. Ze
worden pas actief als ze zich aan het opp. van een ziekteverwekker hechten. Ze dragen bij
aan de uitschakeling van die ziekteverwekker. Ook spelen ze een rol bij het aantrekken van
fagocyten naar de plaats van infectie. En kunnen afweercellen activeren om geïnfecteerde
cellen te doden.
Als reactie op de ontstekingsstoffen produceert de lever C-reactieve proteïne (CRP) -> stof
die het afweersysteem activeert.