Het stappenplan van de handelingen zit hier niet in verwerkt, kijk hiervoor in het boek!
IV medicatie
Hoofdstuk 10 Medicijnen toedienen, blz. 369-382 en 423
Biologische effecten van medicijnen:
- Absorptie de wijze waarop het medicijn wordt opgenomen door het lichaam
- Distributie het proces waardoor een medicijn door het bloed over het lichaam wordt
verspreid
- Metabolisme het samenspel van chemische en fysiologische processen die zich
voltrekken bij de opbouw, afbraak, en instandhouding van de weefsels bij de
productie van energie
- Uitscheiding het proces waardoor het medicijn uit het lichaam wordt verwijderd
Een veilige toediening vereist het opvolgen van de ‘regel van vijf’:
1. Het juiste medicijn
2. De juiste patiënt naam + geboortedatum
3. Het juiste tijdstip max 30 min voor of na het aangegeven tijdstip
4. De juiste manier van toediening
5. De juiste dosis
Gegevens in het medicatieoverzicht:
- Voorgeschreven, verstrekte, toegediende en gebruikte medicijnen
- Gebruik alcohol of drugs
- Reden van starten/stoppen/wijzigingen medicatie en initiator hiervan
- Eerste voorschrijver en actuele voorschrijver
- Apotheken die medicatie hebben verstrekt
- Basale patiëntkenmerken
- Afgeleide of indien beschikbare contra-indicaties
o Comorbiditeit
o Geneesmiddelallergie/intolerantie en ADE (ernstige bijwerkingen
Gegevens op een recept:
- Naam patiënt
- Naam medicijn
- Dosis
- Wijze van toediening en alle bijzondere instructies voor toedienen
- Start- en stopdatum
- Tijdstip en frequentie van toediening medicijn
- Handtekening van degene die het medicijn heeft voorgeschreven
Berekenen van de juiste dosering:
D/H=X
D = de toe te dienen hoeveelheid medicijn
H = aanwezige dosis per medicijneenheid
X = de toe te dienen hoeveelheid medicijn
Bij opiaten moet volgens de wet regelmatig gecontroleerd worden hoeveel er aanwezig is en
of dit klopt.
, Hoofdstuk 20 Intraveneuze toepassingen, blz. 259-286 en 292-300
Alle lichaamsvloeistoffen bestaan voornamelijk uit water. Het water in het lichaam wordt in 2
grote compartimenten verdeeld:
- Intracellulair (in de cellen)
- Extracellulair (grootste deel is interstitiële vloeistof rond de cellen, en het andere
deel is plasma in de bloedvaten intravasculair)
De verplaatsing van lichaamsvloeistoffen tussen de intravasculaire en de interstitiële ruimte
wordt door 2 tegengestelde krachten geregeld:
- De osmotische druk de vloeistof wordt hierdoor naar het bloedvat gezogen
- De hydrostatische druk de vloeistof wordt hierdoor uit het haarvat geperst
De interstitiële en intravasculaire stof hebben vrijwel dezelfde samenstelling, met dat verschil
dat het plasma in de intravasculaire ruimte eiwitten bevat veroorzaakt osmotische druk
De vochtbalans in het lichaam is het gevolg van fysiologische, homeostatische reacties op
de dagelijkse vloeistofinname en het dagelijkse vochtverlies.
Opgelost in lichaamsvloeistoffen bevinden zich de zogenoemde elektrolyten. Deze stoffen,
voornamelijk minderalen, hebben uiteenlopende functies in het lichaam en zijn van
levensbelang. Elektrolyten zijn de belangrijkste bestandsdelen van intracellulaire en
extracellulaire vloeistoffen.
Voor het infuus gebruik je een perifeer veneuze infuuskatheter van polytetrafluoretheen
(Teflon) of polyurethaan. De meeste van deze katheters hebben zogenaamde fixatievleugels
om deze katheter op de huid te fixeren. Als er wordt gekozen voor een katheter zonder
fixatievleugels in te brengen kan er gekozen worden voor een bevestigingsdisk, om de
katheter te fixeren. Door deze disk wordt de huid van de patiënt tegen beschadigingen
beschermd en wordt voorkomen dat de intraveneuze katheter verplaatst.
Flebitis en infiltratie zijn de meest voorkomende complicaties bij het gebruik van katheters in
perifere aders. Het risico op flebitis is afhankelijk van de insteekplaats van het infuus.
Stroomsnelheid infuus:
Totale oplossing / aantal uur toediening = ml/uur
ml/uur x druppelfactor / 60 minuten = aantal druppels per minuut
Factoren die van invloed zijn op de stroomsnelheid van het infuus bij toediening via
zwaartekracht:
- Warme vloeistoffen druppelen sneller dan koude vloeistoffen
- Hoe hoger de infuuszak boven de infuusplaats hangt, hoe sneller de vloeistof wordt
toegediend
- Als de druppelkamer van het infuus erg scheef hangt, zijn alle druppels vanuit de
druppelkamer groter
- Hoe groter de diameter van de katheter, hoe groter de stroomsnelheid
- Hoe langer de katheter is, hoe kleiner de stroomsnelheid als gevolg van de
weerstand
- Als de bloeddruk is verhoogd of als de patiënt hoest, wordt de stroomsnelheid kleiner
(dit is meestal een tijdelijke situatie)
- Bij bewegen van de patiënt wordt de stroomsnelheid kleiner. De katheter wordt dan
soms een beetje afgeknakt
Maagsonde en sondevoeding
Hoofdstuk 11 Voeding en sonde voeding