Aantekeningen les week 1
Inleiding in het immuunsysteem. De milt is een lyfoïd orgaan. Neutrofiele granulocyten moeten
niet eerst geactiveerd worden voor de kunnen doden (= aangeboren immuuunsysteem). B-
cellen scheiden geen antilichamen uit. Alleen geactiveerde B-cellen (plasmacellen) scheiden
antilichamen uit! De herkenning van het immuunsysteem, het immuunsysteem maakt
onderscheid tussen zelf en niet zelf. In sommige gevallen dienen eigen lichaamscellen wel te
worden herkent, hierbij te denken aan met virus geïnfecteerde cellen of tumorcellen.
Tumorcellen kunnen gedood worden door natural killer cellen (aangeboren immuunsysteem)
ook kunnen ze gedood worden door cytotoxische T-cellen (verworven immuunsysteem). Er zijn
bepaalde patronen op pathogenen die worden herkend door macrofagen. Bij een vreemd
signaal is dit een PAMP (Pathogen Associated Moleculair Pattern). Een PAMP zit op een micro-
organisme. Bij een gevaarlijk signaal is dit een DAMP (Danger Associated Moleculair Pattern).
Een DAMP zit op verkeerd gedode eigen cellen. De patronen komen voor bij het aangeboren
immuunsysteem en zijn niet zo specifiek. Eigen vs. niet eigen = verworden immuunsysteem.
Hier gaat het om antigenen (deze zijn heel specifiek voor een bepaald pathogeen).
Immuunrespons. Je hebt verschillende stadia van de immuunrespons. Als het eerste stadia niet
voldoende werkt wordt er naar het tweede stadia gegaan, etc.
* Fysieke barrières. Als eerste heb je fysieke barrières. Hierbij is te denken aan de huid, de lage
pH van de maag, de bacteriën in de darm en speeksel.
* Chemische barrières. Daarna komen de chemische barrières. Hierbij kan gedacht worden aan
het complementsysteem en antimicrobiële eiwitten (dit zijn algemene eiwitten).
* Aangeboren immuunsysteem. Vervolgens heb je het aangeboren immuunsysteem. Hierbij kan
gedacht worden aan macrofagen, granulocyten en natural killer cellen.
* Verworven immuunsysteem. Tot slot en uiteindelijk heb je het verworven immuunsysteem.
Hierbij kan gedacht worden aan B-cellen en T-cellen. Het verworven immuunsysteem komt laat
in actie maar het is wel heel effectief. Het komt laat in actie omdat het verworven
immuunsysteem heel specifiek is.
Aangeboren immuunsysteem Verworden immuunsysteem
Aspecifiek Specifiek
Patroonherkenning Antigeenherkenning
Onmiddellijke actie (cellen zitten al klaar om Niet gelijk inactie (duurt 4-5 dagen)
ter plaatse in actie te komen)
Initiatie ter plaatse Begint in specialistische organen
De immuunrespons wordt niet beter bij vaker Geheugen (als receptoren eenmaal zijn
met dezelfde bacterie te maken te hebben opgebouwd worden er ook geheugencellen
(betekent dat er geen geheugen is) gemaakt)
Aangeboren vs. verworven immuunsysteem
De productie van cellen begint in het beenmerg. Hematopetische stamcellen rijpen uit tot
verschillende cellen. Belangrijkste onderscheid wordt gemaakt tussen de lyfoïde voorloper en
de myeloïde voorloper. Uit de lymfoïde voorlopers komen de lymfocyten voort. Hieruit ontstaan
B-cellen, T-cellen, Natural-Killer-cellen (NK-cellen) en ILC-cellen. Uit myeloïde voorlopers
komen cellen van het aangeboren immuunsysteem voort. Hierbij te denken aan granulocyten en
macrofagen. Ook komen mestcellen voort uit de myeloïde voorlopers. Een macrofaag kan het
meeste pathogeen in één keer opeten. Een dendritische cel is de link tussen het aangeboren en
het verworven immuunsysteem. Door zijn uitstulpingen (dendrieten) kan hij antigenen binden en
,presenteren aan het verworven immuunsysteem. Hij kan dus een pathogeen fagocyteren en
opnemen in de cel (afbreken) en dan de kleine brokjes antigen presenteren. Een dendritische
cel komt meestal voort uit een myeloïde voorloper, hij komt minder vaak voort uit een lymfoïde
voorloper.
Cellen van het immuunsysteem.
Fysieke barrières
Onder fysieke barrières valt de huid (meerlagig epitheel, hoornlaag en vetzuren). Ook vallen de
slijmvliezen hieronder (trilharen, zuurgraad, slijm, stroom en commensalen). Bij stroom kan
gedacht worden aan de luchtstroom, maar ook aan de stroom van de slokdarm. Pathogenen
kunnen via deze stromen verwijderd worden. Commensalen zijn goede bacteriën (bijvoorbeeld
in de darmen) die de plek bezet houden voor pathogenen bacteriën.
Chemische barrières
Onder chemische barrières vallen antimicrobiële eiwitten. Hierbij kan gedacht worden aan
lysozym, defensinen en cellectinen.
Aangeboren immuunsysteem
Het aangeboren immuunsysteem bestaat uit verschillende cellen. Een neutrofiel is de meest
voorkomende granulocyt. Deze cel is voornamelijk voor fagocytose en hij kan ook antimicrobiële
mechanismen activeren. Verder heb je een basofiele granulocyt (speelt een rol bij allergieën) en
een eosinofiele granulocyt (deze doodt parasieten). Onder de fagocyten vallen de macrofagen
en de dendritische cellen. De voorloper van een fagocyt is een monocyt (functioneert ook als
fagocyt in bloed). Mestcellen zijn cellen die de immuunreactie faciliteren (makkelijk nieuwe
cellen aantrekken). Ze geven histamine en actieve stoffen af. Als er teveel histamine is dat is er
sprake van een te heftige reactie en reageert het immuunsysteem overgevoelig. Natural killer
cellen (NK-cellen) laten lytische granules vrij die virus-geïnfecteerde cellen en tumorcellen
doden.
Bij het aangeboren immuunsysteem is er sprake van de herkenning van patronen. Deze
, patronen zijn bij vreemd signaal PAMP en bij gevaarlijk signaal DAMP. Deze herkenning vindt
plaats door middel van Pattern Recognition Receptoren (PRR). Deze receptoren bevinden zich
op de lichaamscellen (macrofagen). Ze bevinden zich vooral extracellulair op het celmembraan,
maar ook intracellulair. Ze zijn in beperkte aantallen op de cel aanwezig (in tegenstelling tot hoe
het bij T-cellen gaat).
Verworven immuunsysteem
De dendritische cel presenteert het antigeen aan het verworven immuunsysteem. Je hebt B-
cellen en T-cellen. Na activatie worden B-cellen/lymfocyten plasmacellen/plasmablasten en
geheugencellen. De herkenning bij B-cellen/lymfocyten gebeurt door middel van een
antigeenreceptor op de B-cel (B-celreceptor = BCR) of membraangebonden immuunglobuline
(MIg). De BCR bindt direct aan het antigeen. Na de binding wordt de B-cel geactiveerd. Na de
activatie van een T-cel zit CD4 op de T-helper cel en CD8 op de cytotoxische T-cel, ook worden
er geheugencellen gevormd. De herkenning van bij de T-cel gebeurt ook door middel van een
antigeenreceptor (= T-cel receptor = TCR). Er vindt dan binding van de TCR plaats met het
antigeen dat gebonden is aan MHC, daarna wordt de T-cel geactiveerd. MCH = Major
Histocompatibility Complex. MHC = HLA. Ze zitten aan de buitenkant van alle cellen van het
lichaam. In stukje MHC zit een stukje van eiwit. Alle eiwitten van een cel worden zo aan het
immuunsysteem getoond. T-cellen reageren niet op gezonde cellen (dat is de bedoeling).
→ Lymfoïde organen. De vorming van immuuncellen gebeurt in de primaire lymfoïde organen
(beenmerg en thymus). De activatie van immuuncellen gebeurt in de secundaire lymfoïde
organen (bijvoorbeeld de lymfeknopen). Lymfeknopen staan in verbinding met de lymfevaten.
MALT = mucosa associated lymphoid tissue (= secundair lyfoïde orgaan). Hieronder vallen de
amandelen, longen, weefsel bij urinesysteem etc.
* De primaire lymfoïde organen. Hieronder valt het beenmerg. Hierin vindt de ontwikkeling van
alle bloedcellen plaats. De uitrijping van B-cellen vindt hier ook plaats. Er wordt tevens gezorgd
voor de negatieve selectie van de B-cellen. Dit wil zeggen dat ze zelf-antigenen niet moeten
herkennen (anders zouden ze eigen lichaamscellen gaan aanvallen). Onder de primaire lyfoïde
organen valt ook de thymus. Hier vindt de uitrijping van T-cellen plaats. Er wordt gezorgd dat de
T-cellen een positieve herkenning van MHC moleculen krijgen en tevens ook de negatieve
selectie (het niet herkennen van zelf-antigen). Er worden heel veel cellen geproduceerd, maar
er blijven maar een paar cellen over. Dit komt omdat de cellen aan veel eisen moeten voldoen.
Ze moeten dus MHC moleculen kunnen herkennen (als ze dit niet kunnen zijn ze niet bruikbaar)
en ze worden getest op het niet herkennen van eigen lichaamscellen (als ze eigen
lichaamscellen herkennen dan zijn ze ook niet bruikbaar). Vervolgens vindt de activatie plaats in
de secundaire lymfoïde organen.
* De secundaire lyfoïde organen. Hieronder valt de milt. De milt is voor het verwijderen van
oude en beschadigde rode bloedcellen. Het antigeen komt binnen via het bloed. Ook heb je de
lymfeklieren. Het antigeen komt binnen via de lymfe. Tot slot heb je de MALT. Bij deze weefsels
komt het antigeen rechtstreeks binnen via het epitheel.
Aantekeningen les week 2
In primaire lymfoïde organen vindt de rijping van de cellen plaats en in de secundaire lymfoïde
organen worden de cellen geactiveerd. PAMP zit op levend micro-orgnisme (bijvoorbeeld in de
wand van een bacterie). DAMP zit op een dode cel (bijvoorbeeld op je eigen tumorcel). PAMP
en DAMP zijn de herkenning van het aangeboren immuunsysteem (herkenning door PRR).
Antigenen zijn de herkenning van het verworven immuunsysteem.
* Meyloïde cellen. Hieronder vallen mononucleaire/polymorphonucleaire fagocyten. Je hebt
langlevende (monocyt/macrofaag/dendritische cel) en kortlevende (neutrofiel). Onder meyloïde
cellen vallen ook de eosinofiele/basofiele/mest cellen. Tot slot heb je nog de antigeen
presenterende cellen (hieronder vallen dendritische cellen, macrofagen (en B-cellen). B-cellen