Artikel: Walker
Introductie
Schizofrenie is een complexe stoornis. Het wordt vaak gediagnosticeerd tussen 20-25; een
tijdsperiode met veel veranderingen. De stoornis kan ernstige gevolgen hebben. Schizofrenie
bestaat onder alle culturen, de prevalentie is ongeveer 1% en het is een hersenziekte
In dit artikel worden drie algemene thema’s benadrukt:
1. De etiologie van schizofrenie bevat het tussenspel tussen brain vulnerabilities en
omgevingsfactoren
2. De stoornis komt niet voort uit een defect specifiek breingebied, maar uit de
disfunctie van circuits die bestaan uit meerdere breingebieden
3. Hersenrijpingsprocessen spelen een kritieke rol in het etiologische proces
Geschiedenis & fenomenologie
➢ In de 2e helft van de 19e eeuw dacht men dat de grootste oorzaak van psychose
syfilis was. Deze ontdekking liet zien hoe een psychologisch syndroom geproduceerd
kan worden door een infectie en hoe vergelijkbare syndromen kunnen voortkomen
uit verschillende oorzaken
➢ Emil Kraepelin (1896): was de eerste die schizofrenie onderscheidde, van manisch
depressieve psychose, als dementia praecox (dementie van de jeugd). Als subtypes
vond hij katatonie, paranoia & hebefrenie. Hij vond de subtypes van schizofrenie op
basis van hun overeenkomsten in tijd van ontstaan en hun prognose. De diagnose
werd daarnaast gebaseerd op het totale klinisch plaatje, namelijk een degeneratief
proces. Dus als de psychotische patiënt verslechterde over maanden/jaren dan was de
diagnose hoogstwaarschijnlijk dementia praecox
➢ Eugen Bleuler (1911): kwam met de term schizofrenie (schizo = split, phren =
mind). Betekende volgens hem dus het splitten van de mind en de emotionele
stabiliteit van de patiënt. Belangrijkste (fundamental) symptomen vond hij:
ambivalentie, verstoring van associatie, verstoring affect, voorkeur voor fantasie over
realiteit. Deze symptomen zijn in alle patienten en over alle fasen te vinden. Hij vond
ook wanen, hallucinaties, bewegingsstoornissen, somatische symptomen en
manische/melancholische staten als symptomen, maar niet specifiek voor
schizofrenie. Schizofrenie is een heterogene groep van stoornissen met verschillende
etiologieën, maar dezelfde klinische representatie
➢ Kurt Schneider (1959): kwam met first-rank symptoms. Deze waren typen
hallucinaties en wanen die de tekenen van psychose karakteriseren:
○ Echoing: gedachten zijn hardop te horen
○ Thought broadcasting: gedachten kunnen door andere gehoord worden
○ Thought intrusion: gedachte komt door iets van buitenaf
○ Thought withdrawal: gedachte wordt uit persoon weggenomen
○ Waanpercepties: plotselinge valse overtuiging over alledaags verschijnsel
Er bestaat een onderscheid tussen positieve en negatieve symptomen
- Positief: symptomen die de meeste mensen niet hebben, de aanwezigheid van
ongebruikelijke percepties, gedachten en gedragingen (o.a. hallucinaties & wanen)
- Negatief: een afwezigheid of tekort aan gedragingen die normaal aanwezig zijn (flat
affect, anhedonia & geen motivatie)
DSM
,Subtypes (staan ook in DSM)
1. Paranoïde: preoccupatie met wanen en/of hallucinaties
2. Disorganized: aanwezigheid van onsamenhangende spraak, chaotisch gedrag en
vlak of inadequaat affect
3. Catatonic: aanwezigheid van motorische onbeweeglijkheid, overmatige motorische
activiteit, extreem negativisme, mutisme, vreemde willekeurige bewegingen, echolalie
of echopraxie
4. Undifferentiated: combinatie van enkele symptomen van voorgaande typen →
moeten dus wel verschillende etiologieën bestaan
Categorieën
1. Resttype: er is sprake geweest van een volledige psychotische episode, maar
momenteel zijn er geen wanen, hallucinaties, onsamenhangende spraak of chaotisch
gedrag, alleen vreemde overtuigingen of ongewone zintuiglijke ervaringen
2. Schizofreniforme stoornis: voor mensen wie niet aan het zes maanden criterium
voldoen (hebben symptomen langer dan maand, maar korter dan 6 maanden). Deze
diagnose wordt vaak vastgesteld voor men het ziektebeeld schizofrenie ontwikkelt
3. Schizoaffectieve stoornis: vorm tussen stemmingsstoornissen (bipolair of grote
depressie met psychotische kenmerken) en schizofrenie. Gemiddelde prognose
Cognitieve en socio-emotionele aspecten van schizofrenie
Schizofrenen tonen tekorten op vrijwel alle domeinen van cognitief functioneren (simpel tot
complex) en dit is niet a.g.v. medicatie (bestaan al in de eerste episode zonder medicatie)
- Verwerken van visuele stimuli gaat langzamer → vermindering van
hersenactiviteit in Th, PFC en pariëtale kwab
- Schizofrenen tonen een vermindering van prepulse inhibition; zij reageren op een
target sensorische stimulus alsof deze niet werd voorgegaan door een prestimulus
- Ook verzwakte responsen op stimuli a.g.v. beschadigingen in de snelheid van
responsselectie en uitvoering van motorische reacties
- Gebreken in verbaal en spatieel geheugen, aandacht en executieve functies
(zoals plannen en abstract redeneren)
, - Gebreken in het denken over sociale fenomenen. Zij kunnen sociale problemen
niet goed meer begrijpen en oplossen. Zou kunnen komen door basis cognitieve
tekorten, maar dit is niet helemaal duidelijk
- Abnormaliteiten in de uiting van emoties in hun gezicht en verbale communicatie.
Zij vertonen minder intense gezichtsuitdrukkingen en minder positieve en meer
negatieve uitingen. Zij kunnen ook minder goed gezichtsuitdrukkingen of emoties
labelen
→ Er is soms ook sprake van cognitieve afname na het begin van de ziekte
→ De cognitieve gebreken zijn gegeneraliseerd en hebben niet slechts betrekking op een
domein van de hersenen
De bron van kwetsbaarheid (oorzaken)
Genetisch
Er bestaat een genetische aanleg voor schizofrenie. Hoe groter de mate van genetische
relatedness, hoe groter de kans op schizofrenie
➢ Tweelingonderzoek: Monozygote tweelingen hebben grootste kans (20-50%) op het
krijgen als een van de twee al heeft. Bij dizygote tweelingen en broers/zussen wordt
10-15% van de tweeling/broer/zus van patiënten ook gediagnosticeerd
➢ Adoptie onderzoek: schizofrenie binnen families is vooral aan genetische factoren toe
te schrijven en niet aan omgevingsfactoren. Echter, deze twee werken wel samen
➢ De stoornis heeft betrekking op meerdere genen. Het is daarom ook lastig om te
vinden welke dit precies zijn. Gevonden genen: 5-HT2a, D3 en chromosomen 6, 8, 13
& 22
➢ Resultaten van moleculaire genetica leiden ook tot vragen over de grenzen van de
etiologie tussen schizofrenie en andere psychotische stoornissen. Onderzoek heeft
namelijk uitgewezen dat er een significante overlap is in de genen die bijdragen aan
schizofrenie, schizoaffectieve stoornis en manische syndromen. Het lijkt er dus op dat
er een genetische kwetsbaarheid is voor psychoses in het algemeen en dat de
uiting van deze kwetsbaarheid de vorm van schizofrenie of een affectieve psychose
aan kan nemen, afhankelijk van de geërfde en verkregen risicofactoren
➢ Het is nog onbekend hoeveel de invloed is van genetische en omgevingsfactoren op
schizofrenie. Ook weet men nog niet of genetische kwetsbaarheid in alle schizofrenen
aanwezig is en of deze kwetsbaarheid altijd tot uiting komt, hoewel er enig bewijs is
dat dit niet het geval is
Prenatale en postnatale factoren
Problemen tijdens de geboorte blijken een ongunstige impact te hebben op de
ontwikkelende hersenen van het kind. Schizofrenen blijken veel vaker problemen te hebben
gehad bij de geboorte. Hypoxia (zuurstoftekort) bleek het sterkst gelinkt te zijn aan
schizofrenie
➢ Moederlijke infectie blijkt ook een vergroot risico op schizofrenie met zich mee te
brengen. Wanneer iemand kort na een griepepidemie geboren wordt blijkt de kans
op schizofrenie ook groter te zijn
➢ Ook blijkt een disproportioneel aantal schizofrenen geboren te zijn in de winter
(season-of-birth effect). Deze timing reflecteert mogelijk een seizoensblootstelling
aan infecties, die het meeste voorkomt tijdens de herfst en vroege winter. De foetus is
dan blootgesteld aan de infecties tijdens het tweede trimester, waarin de
hersenontwikkeling erg belangrijk is en verstoringen in dit stadium kunnen leiden tot
ontwikkelingsabnormaliteiten
➢ Stress bij de moeder is mogelijk ook een risicofactor. Stress leidt tot de vrijlating van
stresshormonen bij de moeder en zorgt zo voor verstoring van de neuro-ontwikkeling