Samenvatting IKT OP2.3
ECHOGRAFIE
College 1 – haemodynamica = gedrag/beweging van bloed
Echografie is uitstekend te gebruiken om snelheden te meten. Het gaat om de ratio, het
verschil tussen piek den dal. De verhoudingen zeggen iets over de vormen van het spectrum
of de afwijkingen.
Als je hoek van de transducer 90 graden met het bloedvat is meet je geen doppler shift. Er is
wel beweging maar die wordt niet gedetecteerd, want cos(90) = 0.
Pas als je een kleinere hoek hebt tussen het vat en de transducer, door de transducer te
draaien of door elektronisch de elementen asymmetrisch aan te sturen, meet je doppler shift.
Als je een hoek hebt van <60 graden krijg je een positief spectrum als het bloed naar je toe
beweegt (rood) en een negatief spectrum als het van je af beweegt. Een negatief spectrum
mag je omdraaien met spectrum invert.
Bloedstroomsnelheid – Omvormen doppler formule
Vloeistofstroming – wetten van poiseuille
o Kern : er is drukverschil nodig om de stromingsweerstand van de buis te overwinnen.
o Flow (V) = drukverschil (P) / weerstand (R)
Bloed beweegt omdat er een drukverschil is. De diameter van het bloedvat bepaalt de
stroming. Als je een breed bloedvat hebt heb je een kleine stromingsweerstand, dat betekent
dat het er makkelijk doorheen stroomt.
Stromingsweerstand (R)
o Evenredig met lengte buis (l). hoe langer het bloedvat hoe groter de
stromingsweerstand.
o Afhankelijk van de straal (r) van de buis. Hoe breder het bloedvat hoe kleiner de
stromingsweerstand.
o Evenredig met de viscositeit (η) van de vloeistof. Hoe stroperiger het bloed hoe groter
de stromingsweerstand.
8·η·l
R = π· r
,Arterosclerotisch proces = dichtslibben van het vat. Als het vat gereduceerd wordt, wordt de
druk in het vat groter en de stroomsnelheid lager. Als de intima laag dikker wordt, wordt de
weerstand dus groter. Bij 70% reductie is het een indicatie voor operatie.
Vloeistofstroming
o Bij langzame toename van de stroomsnelheid vanaf 0 ontstaat de eenvoudigste
stroomvorm. De stroomdraden blijven parallel lopen.
o In het centrum van het bloedvat is de snelheid het hoogst. Aan de randen staat het
bloed bijna stil.
o Het product van snelheid en volume is altijd hetzelfde. Aan de rand is het volume
groter.
o Als je in een bloedvat de snelheid gaat meten met een groot sample volume meet je
hoge en lage snelheden. Als je sample volume klein is meet je eigenlijk maar 1
snelheid. Je window op je spectrum is dan mooier.
o Hoe groter je meetgebied hoe breder het dopplerspectrum.
o Risico van een klein meetgebied is dat je niet in het gebied zit waar de hoogste
snelheid zit.
Flow patronen
o Laminair parabool vormig = stroomprofiel waarbij snelheid langzaam toeneemt vanaf
0. Als je in een bloedvat de snelheid gaat meten met een groot sample volume meet
je hoge en lage snelheden. Als je sample volume klein is meet je eigenlijk maar 1
snelheid. Je window op je spectrum is dan mooier.
Hoe groter je meetgebied hoe breder het dopplerspectrum.
Risico van een klein meetgebied is dat je niet in het gebied zit waar de hoogste
snelheid zit.
o Laminair plug vormig = bij hogere snelheden. Blunt. Heb je op plekken waar de
stroming nog niet goed loopt, direct na het hart bijvoorbeeld. Daarna gaat het naar
laminair parabool vormig. De grootte van je sample volume maakt hier niet uit want je
zult overal dezelfde snelheid meten.
o Turbulente flow = bij zeer hoge snelheden of zeer lage snelheden. Dit heb je direct na
een bifurcatie. Heet ook wel de flow devider. Dat betekent het moment dat het bloed
2 richtingen op kan gaan. De laminaire parabool wordt een turbulente flow en daarna
corrigeert het zich weer.
Diameter verandering
Als je verder weg komt van het hart worden de arteriën steeds smaller. De flow is dus
voortdurend aan het veranderen. Ieder vat heeft zijn eigen, specifieke spectrum. Als de
diameter kleiner wordt, wordt eigenlijk de snelheid groter want je hebt minder ruimte bij de
zelfde druk. Je krijgt dan een stomp profiel, ook wel plug stroomprofiel genoemd.
,Als je van kleine naar grote diameter gaat gebeurt het andersom, dit gebeurt dus in de
venen. Je snelheid wordt dan lager doordat je meer ruimte hebt bij dezelfde druk.
Verandering van laminair stroomprofiel naar puntiger, meer turbulent stroomprofiel langs
wand, centraal spits.
o je gaat van smal naar breed als je een aneurysma tegenkomt.
o Bij een stenose of aftakkingen ga je van breed naar smal
De snelheid van het bloed staat in relatie met de diameter van het bloedvat. Daarom kan de
snelheid gebruikt worden voor diameterreductie.
In bochten van bloedvaten veranderd de snelheid ook. De hoogste snelheid zit in de
buitenbocht.
Pulserende flow = hart trekt samen (snelheid gaat omhoog), hart ontspant (snelheid gaat
omlaag)
Hoge weerstand
Na systole terugval tot de 0 lijn, in het extreme geval kan het ook negatief worden. dat
betekent dat het bloed een beetje terugstroomt na een hartslag. Bijvoorbeeld bij de a.
femoralis (3 fasen stroming). Je geeft hierbij alleen PSV aan want EDV is negatief.
Lage weerstand
Continue voorwaarts gerichte stroming. Het spectrum komt nooit tegen de 0 lijn aan. Het is
een breed bloedvat en de weerstand is klein. Het bloed gaat er snel doorheen. Bijvoorbeeld
a. renalis en a. carotis interna.
Arterieel – drukverschil veroorzaakt door
o Hartslag
o Vraag van organen
o Pathologie
o Afstand tot het hart verder van het hart af neemt de snelheid toe en de diameter
wordt kleiner waardoor de weerstand groter wordt dus een hoog weerstand spectrum.
De druk wordt ook groter.
, Veneus – drukverschil veroorzaakt door
o Rechter atrium
o Ademhaling
Pathologie beenvenen
- Trombus die losschiet en in de longen gaat zitten (longembolie)
- Kleppen in de venen die niet meer goed werken zorgen dat bloed terugstroomt. Het
blijft in de benen zitten (rode warme benen)
Haemodynamiek is belangrijk voor de normale bloedstroom en eventueel afwijkende
bloedstroom. Dat kun je namelijk bepalen als je weet wat je verwacht.
Kwalificaties
We kijken niet perse meer naar de piek snelheid of dalsnelheid maar we gaan kijken naar de
verhouding tussen piek en dal. Dat is de SD ratio.
Pulsatility index = PSV-EDV / Vgem
Resistive index = PSV – EDV/ PSV
De ratio’s blijven altijd hetzelfde, dus je maakt je meting hoek onafhankelijk. En daarmee ook
laborant onafhankelijk.
Spectrum analyse
- Kwalitatief = aanwezigheid flow, richting flow, identificatie karakteristieke flow
- Semi-quantitatief = verstoorde flow, pulsatiliteit
- Quantitatief = meten van snelheden/versnellingen, bepalen ratio’s, vaststellen locale
drukverschillen
Wall filter
o Filteren lage frequenties – poetst deel van de informatie weg.
1. Eliminatie lage snelheden
2. Eliminatie ‘flash’ artefacten.
Dit kan wel nadelig zijn bij eventuele berekeningen (zoals gemiddelde snelheid)
College 2 – doppler fysica colour doppler
Kleur kun je gebruiken om te kwalificeren. Niet voor kwantificeren of diagnosticeren. Je kunt
zien of er flow is en welke richting de flow gaat. Het heeft een andere waarde dan je
spectrum.
CW = 2 elementen. Continu zenden met de ene en continu ontvangen met de ander. Als er
een verschil is tussen zenden en ontvangen. Positief verschil = beweging naar je toe.
Negatief verschil = beweging van je af. Samenkomen van de bundels = sample volume.
PW = gesegmenteerd zenden en ontvangen. Je krijgt pulsgewijs signalen terug uit de
patiënt.
ECHOGRAFIE
College 1 – haemodynamica = gedrag/beweging van bloed
Echografie is uitstekend te gebruiken om snelheden te meten. Het gaat om de ratio, het
verschil tussen piek den dal. De verhoudingen zeggen iets over de vormen van het spectrum
of de afwijkingen.
Als je hoek van de transducer 90 graden met het bloedvat is meet je geen doppler shift. Er is
wel beweging maar die wordt niet gedetecteerd, want cos(90) = 0.
Pas als je een kleinere hoek hebt tussen het vat en de transducer, door de transducer te
draaien of door elektronisch de elementen asymmetrisch aan te sturen, meet je doppler shift.
Als je een hoek hebt van <60 graden krijg je een positief spectrum als het bloed naar je toe
beweegt (rood) en een negatief spectrum als het van je af beweegt. Een negatief spectrum
mag je omdraaien met spectrum invert.
Bloedstroomsnelheid – Omvormen doppler formule
Vloeistofstroming – wetten van poiseuille
o Kern : er is drukverschil nodig om de stromingsweerstand van de buis te overwinnen.
o Flow (V) = drukverschil (P) / weerstand (R)
Bloed beweegt omdat er een drukverschil is. De diameter van het bloedvat bepaalt de
stroming. Als je een breed bloedvat hebt heb je een kleine stromingsweerstand, dat betekent
dat het er makkelijk doorheen stroomt.
Stromingsweerstand (R)
o Evenredig met lengte buis (l). hoe langer het bloedvat hoe groter de
stromingsweerstand.
o Afhankelijk van de straal (r) van de buis. Hoe breder het bloedvat hoe kleiner de
stromingsweerstand.
o Evenredig met de viscositeit (η) van de vloeistof. Hoe stroperiger het bloed hoe groter
de stromingsweerstand.
8·η·l
R = π· r
,Arterosclerotisch proces = dichtslibben van het vat. Als het vat gereduceerd wordt, wordt de
druk in het vat groter en de stroomsnelheid lager. Als de intima laag dikker wordt, wordt de
weerstand dus groter. Bij 70% reductie is het een indicatie voor operatie.
Vloeistofstroming
o Bij langzame toename van de stroomsnelheid vanaf 0 ontstaat de eenvoudigste
stroomvorm. De stroomdraden blijven parallel lopen.
o In het centrum van het bloedvat is de snelheid het hoogst. Aan de randen staat het
bloed bijna stil.
o Het product van snelheid en volume is altijd hetzelfde. Aan de rand is het volume
groter.
o Als je in een bloedvat de snelheid gaat meten met een groot sample volume meet je
hoge en lage snelheden. Als je sample volume klein is meet je eigenlijk maar 1
snelheid. Je window op je spectrum is dan mooier.
o Hoe groter je meetgebied hoe breder het dopplerspectrum.
o Risico van een klein meetgebied is dat je niet in het gebied zit waar de hoogste
snelheid zit.
Flow patronen
o Laminair parabool vormig = stroomprofiel waarbij snelheid langzaam toeneemt vanaf
0. Als je in een bloedvat de snelheid gaat meten met een groot sample volume meet
je hoge en lage snelheden. Als je sample volume klein is meet je eigenlijk maar 1
snelheid. Je window op je spectrum is dan mooier.
Hoe groter je meetgebied hoe breder het dopplerspectrum.
Risico van een klein meetgebied is dat je niet in het gebied zit waar de hoogste
snelheid zit.
o Laminair plug vormig = bij hogere snelheden. Blunt. Heb je op plekken waar de
stroming nog niet goed loopt, direct na het hart bijvoorbeeld. Daarna gaat het naar
laminair parabool vormig. De grootte van je sample volume maakt hier niet uit want je
zult overal dezelfde snelheid meten.
o Turbulente flow = bij zeer hoge snelheden of zeer lage snelheden. Dit heb je direct na
een bifurcatie. Heet ook wel de flow devider. Dat betekent het moment dat het bloed
2 richtingen op kan gaan. De laminaire parabool wordt een turbulente flow en daarna
corrigeert het zich weer.
Diameter verandering
Als je verder weg komt van het hart worden de arteriën steeds smaller. De flow is dus
voortdurend aan het veranderen. Ieder vat heeft zijn eigen, specifieke spectrum. Als de
diameter kleiner wordt, wordt eigenlijk de snelheid groter want je hebt minder ruimte bij de
zelfde druk. Je krijgt dan een stomp profiel, ook wel plug stroomprofiel genoemd.
,Als je van kleine naar grote diameter gaat gebeurt het andersom, dit gebeurt dus in de
venen. Je snelheid wordt dan lager doordat je meer ruimte hebt bij dezelfde druk.
Verandering van laminair stroomprofiel naar puntiger, meer turbulent stroomprofiel langs
wand, centraal spits.
o je gaat van smal naar breed als je een aneurysma tegenkomt.
o Bij een stenose of aftakkingen ga je van breed naar smal
De snelheid van het bloed staat in relatie met de diameter van het bloedvat. Daarom kan de
snelheid gebruikt worden voor diameterreductie.
In bochten van bloedvaten veranderd de snelheid ook. De hoogste snelheid zit in de
buitenbocht.
Pulserende flow = hart trekt samen (snelheid gaat omhoog), hart ontspant (snelheid gaat
omlaag)
Hoge weerstand
Na systole terugval tot de 0 lijn, in het extreme geval kan het ook negatief worden. dat
betekent dat het bloed een beetje terugstroomt na een hartslag. Bijvoorbeeld bij de a.
femoralis (3 fasen stroming). Je geeft hierbij alleen PSV aan want EDV is negatief.
Lage weerstand
Continue voorwaarts gerichte stroming. Het spectrum komt nooit tegen de 0 lijn aan. Het is
een breed bloedvat en de weerstand is klein. Het bloed gaat er snel doorheen. Bijvoorbeeld
a. renalis en a. carotis interna.
Arterieel – drukverschil veroorzaakt door
o Hartslag
o Vraag van organen
o Pathologie
o Afstand tot het hart verder van het hart af neemt de snelheid toe en de diameter
wordt kleiner waardoor de weerstand groter wordt dus een hoog weerstand spectrum.
De druk wordt ook groter.
, Veneus – drukverschil veroorzaakt door
o Rechter atrium
o Ademhaling
Pathologie beenvenen
- Trombus die losschiet en in de longen gaat zitten (longembolie)
- Kleppen in de venen die niet meer goed werken zorgen dat bloed terugstroomt. Het
blijft in de benen zitten (rode warme benen)
Haemodynamiek is belangrijk voor de normale bloedstroom en eventueel afwijkende
bloedstroom. Dat kun je namelijk bepalen als je weet wat je verwacht.
Kwalificaties
We kijken niet perse meer naar de piek snelheid of dalsnelheid maar we gaan kijken naar de
verhouding tussen piek en dal. Dat is de SD ratio.
Pulsatility index = PSV-EDV / Vgem
Resistive index = PSV – EDV/ PSV
De ratio’s blijven altijd hetzelfde, dus je maakt je meting hoek onafhankelijk. En daarmee ook
laborant onafhankelijk.
Spectrum analyse
- Kwalitatief = aanwezigheid flow, richting flow, identificatie karakteristieke flow
- Semi-quantitatief = verstoorde flow, pulsatiliteit
- Quantitatief = meten van snelheden/versnellingen, bepalen ratio’s, vaststellen locale
drukverschillen
Wall filter
o Filteren lage frequenties – poetst deel van de informatie weg.
1. Eliminatie lage snelheden
2. Eliminatie ‘flash’ artefacten.
Dit kan wel nadelig zijn bij eventuele berekeningen (zoals gemiddelde snelheid)
College 2 – doppler fysica colour doppler
Kleur kun je gebruiken om te kwalificeren. Niet voor kwantificeren of diagnosticeren. Je kunt
zien of er flow is en welke richting de flow gaat. Het heeft een andere waarde dan je
spectrum.
CW = 2 elementen. Continu zenden met de ene en continu ontvangen met de ander. Als er
een verschil is tussen zenden en ontvangen. Positief verschil = beweging naar je toe.
Negatief verschil = beweging van je af. Samenkomen van de bundels = sample volume.
PW = gesegmenteerd zenden en ontvangen. Je krijgt pulsgewijs signalen terug uit de
patiënt.