Het nut en de noodzaak van theorie College 3 Week 47
Hoofdstuk: theorieën beschouwd
Inleiding
Gedragsstoornissen zijn onderwerp van klinische psychologie, roepen de vraag op hoe het komt dat
mensen zichzelf en anderen zoveel ellende aandoen. Er wordt gezocht naar verklaringen van gestoord
gedrag, om zo’n verklaring mogelijk te maken is een theorie nodig. Er zijn zoveel theorieën:
biopsychologische theorieën, leertheorieën, systeemtheorieën etc.
De omstandigheid dat er een uiteenlopende wetenschappelijke verklaringen zijn voor
hetzelfde fenomeen is misschien niet uniek voor klinische psychologie. Wel bijzonder aan de veelheid
van theorieën is dat de theorieën zo fundamenteel van elkaar verschillen, ze lijken verwant te zijn aan
even uiteenlopende mensvisies of levensbeschouwingen en ze zijn expliciet van elkaar gescheiden.
Wat moeten we aan met deze wildgroei aan theorieën? Dit is een ‘metatheoretische’ vraag: het is
geen vraag die vanuit een theorie kan worden beantwoord, maar een vraag die gaat over theorieën.
Levensbeschouwing
De diverse theorieën in de klinische psychologie hangen in mindere of meerdere mate samen met
vraagstukken van levensbeschouwelijke aard. In het dagelijks leven gaan we bijvoorbeeld uit van vrije
wil, wetenschappers kunnen hier slecht mee uit de voeten. Gedrag wordt veelal gezien als het
resultaat van een samenspel van aanleg en omstandigheden, deze heb je vaak niet voor het kiezen. In
humanistische visies is vrije wil juist een sleutelbegrip. De kwestie van vrije wil tegenover
determinisme is een voorbeeld van een vraag die actueel is in klinisch-psychologische theorieën.
Verwante vraag is of gedrag en de subjectieve ervaringen van een persoon ‘verklaard’ kunnen worden
in termen van oorzaak-gevolgketens of dat er een andere manier is die leidt tot beter psychologisch
inzicht.
Geconfronteerd met veelheid aan theorieën op het vakgebied kunnen psychologen ervoor
kiezen een theorie te onderschrijven die aansluit bij hun eigen wereldbeschouwing. Het doel van
wetenschap is het doen van algemene uitspraken, die ongeacht de toevallige opvatting van een
onderzoeker geldig zijn.
Wetenschap is een stelsel van regels over hoe te redeneren en te onderzoeken waarbij het
doel van de regels juist is om uit te sluiten dat privéopvattingen de waarneming en interpretatie
beïnvloeden. Ongetwijfeld beïnvloedt iemands levensbeschouwelijke overtuiging zijn keuze voor een
bepaalde theorie, maar een richtinggevend principe is dat wetenschappers proberen deze invloed uit
te sluiten.
Relativisme
Als een verschijnsel theoretisch wordt verklaard, wordt het gedefinieerd in theoretische termen.
Verschillende theorieën leveren dus verschillende verklaringen op. De geldigheid van een verklaring
hangt daarmee af van de geldigheid van de gebruikte theorie. Deze overwegingen brengen velen
ertoe een relativistisch standpunt in te nemen bij verklaring van psychopathologische stoornissen (of
een verklaring deugt, hangt af van de theorie die je aanhangt). Het is een ingewikkelde
wetenschapstheoretische positie. Zo zijn er bijvoorbeeld voor suïcide vele verklaringen, biologisch
georiënteerd maar ook psychoanalytisch. Dit is niet echt een probleem omdat de theorieën
betrekking hebben op verschillende niveaus van organisatie. Het is zelfs denkbaar dat de theorieën
tot elkaar herleid worden. De theorieën zijn niet strijdig omdat ze zich richten op andere aspecten
van hetzelfde fenomeen en er is alle ruimte voor een vreedzame co-existentie van theorieën.
Theorieën als paradigma’s
Het wordt veel lastiger als theorieën zich richten op hetzelfde aspect van hetzelfde verschijnsel, bijv.
het psychologisch mechanisme dat ten grondslag ligt aan de dwangmatige controlerituelen.
Het relativisme is een veelvoorkomende reactie op aanwezigheid van strijdige of strijdig lijkende
theorieën. Denk bijv. aan het plaatje waar je zowel een oude vrouw als een jonge vrouw kan zien, hier
Hoofdstuk: theorieën beschouwd
Inleiding
Gedragsstoornissen zijn onderwerp van klinische psychologie, roepen de vraag op hoe het komt dat
mensen zichzelf en anderen zoveel ellende aandoen. Er wordt gezocht naar verklaringen van gestoord
gedrag, om zo’n verklaring mogelijk te maken is een theorie nodig. Er zijn zoveel theorieën:
biopsychologische theorieën, leertheorieën, systeemtheorieën etc.
De omstandigheid dat er een uiteenlopende wetenschappelijke verklaringen zijn voor
hetzelfde fenomeen is misschien niet uniek voor klinische psychologie. Wel bijzonder aan de veelheid
van theorieën is dat de theorieën zo fundamenteel van elkaar verschillen, ze lijken verwant te zijn aan
even uiteenlopende mensvisies of levensbeschouwingen en ze zijn expliciet van elkaar gescheiden.
Wat moeten we aan met deze wildgroei aan theorieën? Dit is een ‘metatheoretische’ vraag: het is
geen vraag die vanuit een theorie kan worden beantwoord, maar een vraag die gaat over theorieën.
Levensbeschouwing
De diverse theorieën in de klinische psychologie hangen in mindere of meerdere mate samen met
vraagstukken van levensbeschouwelijke aard. In het dagelijks leven gaan we bijvoorbeeld uit van vrije
wil, wetenschappers kunnen hier slecht mee uit de voeten. Gedrag wordt veelal gezien als het
resultaat van een samenspel van aanleg en omstandigheden, deze heb je vaak niet voor het kiezen. In
humanistische visies is vrije wil juist een sleutelbegrip. De kwestie van vrije wil tegenover
determinisme is een voorbeeld van een vraag die actueel is in klinisch-psychologische theorieën.
Verwante vraag is of gedrag en de subjectieve ervaringen van een persoon ‘verklaard’ kunnen worden
in termen van oorzaak-gevolgketens of dat er een andere manier is die leidt tot beter psychologisch
inzicht.
Geconfronteerd met veelheid aan theorieën op het vakgebied kunnen psychologen ervoor
kiezen een theorie te onderschrijven die aansluit bij hun eigen wereldbeschouwing. Het doel van
wetenschap is het doen van algemene uitspraken, die ongeacht de toevallige opvatting van een
onderzoeker geldig zijn.
Wetenschap is een stelsel van regels over hoe te redeneren en te onderzoeken waarbij het
doel van de regels juist is om uit te sluiten dat privéopvattingen de waarneming en interpretatie
beïnvloeden. Ongetwijfeld beïnvloedt iemands levensbeschouwelijke overtuiging zijn keuze voor een
bepaalde theorie, maar een richtinggevend principe is dat wetenschappers proberen deze invloed uit
te sluiten.
Relativisme
Als een verschijnsel theoretisch wordt verklaard, wordt het gedefinieerd in theoretische termen.
Verschillende theorieën leveren dus verschillende verklaringen op. De geldigheid van een verklaring
hangt daarmee af van de geldigheid van de gebruikte theorie. Deze overwegingen brengen velen
ertoe een relativistisch standpunt in te nemen bij verklaring van psychopathologische stoornissen (of
een verklaring deugt, hangt af van de theorie die je aanhangt). Het is een ingewikkelde
wetenschapstheoretische positie. Zo zijn er bijvoorbeeld voor suïcide vele verklaringen, biologisch
georiënteerd maar ook psychoanalytisch. Dit is niet echt een probleem omdat de theorieën
betrekking hebben op verschillende niveaus van organisatie. Het is zelfs denkbaar dat de theorieën
tot elkaar herleid worden. De theorieën zijn niet strijdig omdat ze zich richten op andere aspecten
van hetzelfde fenomeen en er is alle ruimte voor een vreedzame co-existentie van theorieën.
Theorieën als paradigma’s
Het wordt veel lastiger als theorieën zich richten op hetzelfde aspect van hetzelfde verschijnsel, bijv.
het psychologisch mechanisme dat ten grondslag ligt aan de dwangmatige controlerituelen.
Het relativisme is een veelvoorkomende reactie op aanwezigheid van strijdige of strijdig lijkende
theorieën. Denk bijv. aan het plaatje waar je zowel een oude vrouw als een jonge vrouw kan zien, hier