Observeren en Interpreteren – Tentamen 1
Hoofdstuk 1 Observeren, eenvoudig… of toch niet?
Wat is alledaags observeren?
Het voortdurend en ongemerkt waarnemen, verwerken en interpreteren van zintuigelijke prikkels.
Zonder dat je er bewust bij stilstaat.
Het verbale gedrag: Alles wat een persoon in woorden uitdrukt
Het non-verbale gedrag: Alle signalen die we niet in woorden uitdrukken, zoals gelaatsuitdrukking
(kunnen zien aan het gezicht hoe iemand zich voelt), oogcontact, lichaamshouding, gebaren en
bewegingen.
Paraverbaal gedrag: Dit bestaat uit je stemhoogte, ritme en toon.
Wat is het nut van de ‘eerste indruk’?
Uit je allereerste waarneming van de persoon bouw je direct gedachten en gevoelens op. Je eerste
indruk blijf vaak bestaan in de mening die je over iemand vormde.
Drie hoofddoelen van observeren:
Je krijgt informatie over:
Anderen, met wie je al dan niet direct communiceert;
Over relaties en situaties, waarbij je al dan niet betrokken bent;
Over jezelf, vooral door zelf observatie en zogeheten ‘afgeleide observatie.
Zelfobservatie: De waarneming van je eigen gedrag en innerlijke prikkels (lichamelijke
gewaarwordingen, gevoelens en gedachten.)
Afgeleide observatie: Jouw waarneming van hoe anderen zich ten opzichte van jou verhouden,
waaruit jij ‘afleidt’ wat zij over jou denken en voelen.
Samengevat: je observeer om je eigen gedrag en dat van andere te begrijpen. Dit helpt je om je
interacties met je omgeving direct te kunnen sturen.
De spiegelneuronen zijn hersencellen die actief worden wanneer je observeert wat iemand doet. Ze
zijn gelegen in de delen van het brein die ook actief zijn wanneer je zelf handelt. Spiegelneuronen
‘spiegelen’ dus de handelingen van anderen alleen maar door observatie, ook al handel je zelf niet.
Zelfs wanneer je iemands gevoelens observeert worden spiegelneuronen actief. De spiegelneuronen
dragen zo bij aan je inlevingsvermogen.
Attributie: Je interpreteert voortdurend je observaties van datgene wat je bij jezelf, bij de ander of
tijdens interacties waarneemt, bijvoorbeeld op de werkplek, thuis of met vrienden. En waarbij je
automatisch betekenis geeft aan en zoekt naar verklaringen voor het gedrag van anderen en jezelf.
Attributie gebeurt dus niet zomaar toevallig, maar volgens strategieën die vastleggen op welke
manier je gedragingen meestal interpreteert.
Kortom, in het leven van alledag observeer en interpreteer je continu en impliciet om je omgeving en
jezelf te begrijpen en meteen te kunnen handelen.
,Waarnemen: Het opnemen van prikkels met de zintuigen.
Het zicht, het gehoor, de reuk-, tast-, en smaakzin
Ook innerlijke gewaarwordingen zoals pijn, jeuk en warmte
Selectiviteit van de waarneming: Ons brein kan altijd maar een deel van de beschikbare zintuiglijke
informatie verwerken. Dit kan ook niet anders want anders zouden we stapel gek worden van de
grote hoeveelheid prikkels om ons heen.
Subjectiviteit van de waarneming: Het direct richting en betekenis geven aan je waarneming.
Professioneel observeren: Het bewust en met doelgerichte aandacht door de zintuigen
waarnemingsprikkels in je opnemen en verwerken.
Het gevaar van de eerste indruk bij professioneel observeren
Bij de eerste indruk geef je direct al betekenis aan je waarneming. Je vormt namelijk gelijk een
mening over bijvoorbeeld een persoon. Bij professioneel observeren moet je vakkundig handelen en
is het belangrijk dat je zo objectief mogelijk waarneemt. Je moet je interpretaties van je
waarnemingen bewust overdenken.
De 4 kwaliteitseisen van professioneel observeren:
1. Je neemt bewust informatie op. Je beseft dat je observeert. Je staat stil bij een aantal vragen,
zoals: wat en wie wil ik observeren? Waarom en hoe ga ik observeren?
2. Er is sprake van doelgerichte aandacht. Je overdenkt aandachtig welk soort gedrag en
situaties je moet waarnemen om een antwoord te krijgen op je observatievraag. Denk aan
wanneer jouw aandacht op zijn best is.
3. Je observeert met je zintuigen. Je neemt waar met je ogen, oren, de geur, tast- en smaakzin.
Weetje: Wanneer je opgroeit, neem je de omgeving vooral waar door het zicht,
aangevuld door het gehoor. Tast, reuk- en smaakzin gebruik je doorgaans nog maar in
specifieke situaties (bijvoorbeeld in het donker of tijdens de maaltijd).
Weetje: Wanneer je niet of minder goed ziet, ontwikkel je een sterkere hoor- en tastzin.
4. Je wil de observaties op de een of andere manier registreren en communiceren. Je kunt
namelijk dingen vergeten, wat invloed kan hebben voor je onderzoek. Je doet dit dus omdat
je weet dat je geheugen soms faalt. Denk aan dat mensen weleens een boodschappenlijstje
meenemen, want dat helpt bij het winkelen.
Tijdens professioneel observeren moet je er nog meer voor zorgen dat je je waarnemingen bewaart,
eenvoudig en snel kunt ophalen en overzichtelijk rapporteert wanneer dat nodig is. Dit doe je volgens
je observatievraag en -doel, het soort waar te nemen gedrag en situatie, alsook de beschikbare tijd en
middelen.
Perceptie: zoals iemand iets ervaart en beoordeelt = De verdere bewerking van de zintuiglijke prikkels
of gewaarwordingen door het brein tot zinvolle gehelen.
Basisgevoelens: De vier universele gevoelens: boosheid, vreugde, verdriet en angst; en aanvullend
ook de gevoelens afkeer, verrassing en minachting.
Fundamentele verschillen tussen alledaags en professioneel observeren.
, Samengevat, om je observaties en de handelingen die daaruit volgen te verantwoorden, moet je
stilstaan bij iedere stap van de waarneming en deze doelmatig begeleiden.
Hoofdstuk 1 Observeren, eenvoudig… of toch niet?
Wat is alledaags observeren?
Het voortdurend en ongemerkt waarnemen, verwerken en interpreteren van zintuigelijke prikkels.
Zonder dat je er bewust bij stilstaat.
Het verbale gedrag: Alles wat een persoon in woorden uitdrukt
Het non-verbale gedrag: Alle signalen die we niet in woorden uitdrukken, zoals gelaatsuitdrukking
(kunnen zien aan het gezicht hoe iemand zich voelt), oogcontact, lichaamshouding, gebaren en
bewegingen.
Paraverbaal gedrag: Dit bestaat uit je stemhoogte, ritme en toon.
Wat is het nut van de ‘eerste indruk’?
Uit je allereerste waarneming van de persoon bouw je direct gedachten en gevoelens op. Je eerste
indruk blijf vaak bestaan in de mening die je over iemand vormde.
Drie hoofddoelen van observeren:
Je krijgt informatie over:
Anderen, met wie je al dan niet direct communiceert;
Over relaties en situaties, waarbij je al dan niet betrokken bent;
Over jezelf, vooral door zelf observatie en zogeheten ‘afgeleide observatie.
Zelfobservatie: De waarneming van je eigen gedrag en innerlijke prikkels (lichamelijke
gewaarwordingen, gevoelens en gedachten.)
Afgeleide observatie: Jouw waarneming van hoe anderen zich ten opzichte van jou verhouden,
waaruit jij ‘afleidt’ wat zij over jou denken en voelen.
Samengevat: je observeer om je eigen gedrag en dat van andere te begrijpen. Dit helpt je om je
interacties met je omgeving direct te kunnen sturen.
De spiegelneuronen zijn hersencellen die actief worden wanneer je observeert wat iemand doet. Ze
zijn gelegen in de delen van het brein die ook actief zijn wanneer je zelf handelt. Spiegelneuronen
‘spiegelen’ dus de handelingen van anderen alleen maar door observatie, ook al handel je zelf niet.
Zelfs wanneer je iemands gevoelens observeert worden spiegelneuronen actief. De spiegelneuronen
dragen zo bij aan je inlevingsvermogen.
Attributie: Je interpreteert voortdurend je observaties van datgene wat je bij jezelf, bij de ander of
tijdens interacties waarneemt, bijvoorbeeld op de werkplek, thuis of met vrienden. En waarbij je
automatisch betekenis geeft aan en zoekt naar verklaringen voor het gedrag van anderen en jezelf.
Attributie gebeurt dus niet zomaar toevallig, maar volgens strategieën die vastleggen op welke
manier je gedragingen meestal interpreteert.
Kortom, in het leven van alledag observeer en interpreteer je continu en impliciet om je omgeving en
jezelf te begrijpen en meteen te kunnen handelen.
,Waarnemen: Het opnemen van prikkels met de zintuigen.
Het zicht, het gehoor, de reuk-, tast-, en smaakzin
Ook innerlijke gewaarwordingen zoals pijn, jeuk en warmte
Selectiviteit van de waarneming: Ons brein kan altijd maar een deel van de beschikbare zintuiglijke
informatie verwerken. Dit kan ook niet anders want anders zouden we stapel gek worden van de
grote hoeveelheid prikkels om ons heen.
Subjectiviteit van de waarneming: Het direct richting en betekenis geven aan je waarneming.
Professioneel observeren: Het bewust en met doelgerichte aandacht door de zintuigen
waarnemingsprikkels in je opnemen en verwerken.
Het gevaar van de eerste indruk bij professioneel observeren
Bij de eerste indruk geef je direct al betekenis aan je waarneming. Je vormt namelijk gelijk een
mening over bijvoorbeeld een persoon. Bij professioneel observeren moet je vakkundig handelen en
is het belangrijk dat je zo objectief mogelijk waarneemt. Je moet je interpretaties van je
waarnemingen bewust overdenken.
De 4 kwaliteitseisen van professioneel observeren:
1. Je neemt bewust informatie op. Je beseft dat je observeert. Je staat stil bij een aantal vragen,
zoals: wat en wie wil ik observeren? Waarom en hoe ga ik observeren?
2. Er is sprake van doelgerichte aandacht. Je overdenkt aandachtig welk soort gedrag en
situaties je moet waarnemen om een antwoord te krijgen op je observatievraag. Denk aan
wanneer jouw aandacht op zijn best is.
3. Je observeert met je zintuigen. Je neemt waar met je ogen, oren, de geur, tast- en smaakzin.
Weetje: Wanneer je opgroeit, neem je de omgeving vooral waar door het zicht,
aangevuld door het gehoor. Tast, reuk- en smaakzin gebruik je doorgaans nog maar in
specifieke situaties (bijvoorbeeld in het donker of tijdens de maaltijd).
Weetje: Wanneer je niet of minder goed ziet, ontwikkel je een sterkere hoor- en tastzin.
4. Je wil de observaties op de een of andere manier registreren en communiceren. Je kunt
namelijk dingen vergeten, wat invloed kan hebben voor je onderzoek. Je doet dit dus omdat
je weet dat je geheugen soms faalt. Denk aan dat mensen weleens een boodschappenlijstje
meenemen, want dat helpt bij het winkelen.
Tijdens professioneel observeren moet je er nog meer voor zorgen dat je je waarnemingen bewaart,
eenvoudig en snel kunt ophalen en overzichtelijk rapporteert wanneer dat nodig is. Dit doe je volgens
je observatievraag en -doel, het soort waar te nemen gedrag en situatie, alsook de beschikbare tijd en
middelen.
Perceptie: zoals iemand iets ervaart en beoordeelt = De verdere bewerking van de zintuiglijke prikkels
of gewaarwordingen door het brein tot zinvolle gehelen.
Basisgevoelens: De vier universele gevoelens: boosheid, vreugde, verdriet en angst; en aanvullend
ook de gevoelens afkeer, verrassing en minachting.
Fundamentele verschillen tussen alledaags en professioneel observeren.
, Samengevat, om je observaties en de handelingen die daaruit volgen te verantwoorden, moet je
stilstaan bij iedere stap van de waarneming en deze doelmatig begeleiden.