De student kan aangeven wat de kenmerken zijn van de adolescentiefase en de
volwassenwording (Theorie van Erikson).
Erikson, adolescentiefase (fase 5).
Crisis: identiteit vs. rolverwarring
Adequate oplossing: Tevreden met jezelf als persoon die zowel uniek als sociaal geaccepteerd is.
Inadequate oplossing: Gefragmenteerd zelfbeeld, instabiel, onduidelijk gevoel.
Het ontwikkelen van een identiteit is volgens de theorie van Erikson het belangrijkste doel van de
puberteit. Deze zoektocht kan worden geremd door verwarring die ontstaat tijdens het spelen van vele
verschillende rollen in verschillende situaties. Juist in deze wirwar van rollen moet je uitzoeken wie je zelf
bent -> identiteitscrisis oplossen.
De adolescentie is een ontwikkelingsstadium tussen de kindertijd en de volwassenheid. Ongeveer 12 tot
23 jaar (dan zijn je hersenen uitgegroeid).
Biologische veranderingen:
- Groeispurt.
- Seksuele rijping (primaire en secundaire geslachtskenmerken).
- Verschil jongen/meisje is 1 à 2 jaar.
Seksuele veranderingen:
10-12 jaar: prepuberteit.
- Belangstelling voor seks neemt toe.
- Meisjes ongesteld, jongens eerste zaadlozing.
- Verliefdheid emotioneler.
- Identificatiefiguren worden belangrijker.
12-16 jaar.
- Seksuele ervaringen worden opgebouwd.
- Uitlokkend en uitdagend gedrag.
- Jongens: performance (orgasme = prestatie), meisjes ontdekken lustgevoelens via de ander,
aantrekkelijkheid en sociale status belangrijk.
Emotionele veranderingen:
- Stress, onzekerheid, verwarring, depressie, humeurigheid, opvliegendheid, roekeloosheid,
verliefdheid.
Cognitieve veranderingen:
- Formeel-operationeel denken (Piaget).
- Intellectuele vooruitgang (meta-cognitie) -> nadenken over jezelf, over je eigen handelen en over
je eigen denken.
- Kritische houding.
, - Frontaalkwabben zijn nog niet geheel ontwikkelt, dit is pas rond je 25 ste jaar. Emotionele
gebieden in de hersenen ontwikkelen snel. Pubers reageren meer/intenser op emoties.
Bijvoorbeeld: liefdesverdriet.
Sociale veranderingen:
- Losmaken ouderlijk gezin.
- Oriëntatie op leeftijdsgenoten = peers.
- Ingroeien in de maatschappij -> uitzoeken wie je bent, verschillende rollen uitproberen.
De student kan de typische kenmerken van verslavingsproblematiek herkennen en de
benoemen.
In de DSM-V wordt niet meer gesproken over misbruik of verslaving, maar over een stoornis in gebruik
van middelen. Hieraan wordt toegevoegd: mild, gematigd of ernstig.
- Mild: twee of drie criteria.
- Gematigd: vier of vijf criteria.
- Ernstig: 6+ criteria.
De 11 criteria zijn:
- Vaker en in grotere hoeveelheden gebruiken dan het plan was.
- Mislukte pogingen om te minderen of te stoppen.
- Gebruik en herstel van gebruik kosten veel tijd.66
- Sterk verlangen om te gebruiken.
- Door gebruik tekortschieten op het werk, school of thuis.
- Blijven gebruiken ondanks dat het problemen meebrengt op rationeel vlak.
- Door gebruik opgeven van hobby’s, sociale activiteiten of werk.
- Voortdurend gebruik, zelfs wanneer je daardoor in gevaar komt.
- Voortdurend gebruikt, ondanks weet dat het gebruik lichamelijke of psychische problemen met
zich mee brengt of verergert.
- Grotere hoeveelheden nodig hebben om het effect nog te voelen = tolerantie.
- Het optreden van onthoudingsverschijnselen die minder hevig worden door meer te gebruiken.
De student kan de biologische, psychologische en sociale aspecten van
verslavingsproblematiek onderscheiden.
Frontale cortex nog niet geheel ontwikkelt. Adolescenten zien nog geen risico’s en lange termijn denken
is nog in ontwikkeling.
Oorzaken verslaving:
- Biologische factoren: erfelijke gevoeligheid.
- Sociale factoren: gezin, werk, vrienden, financieel.
- Psychische factoren: gevoelens, gedachten en psychische problemen (angst, depressie, burn-out,
schizofrenie, etc.)