Inleidende informatie.
Wat is recht? Regels die:
- de maatschappij ordenen.
- betrekkingen/relaties regelen.
- gedrag van burgers en overheid sturen.
De rechtsregels zijn de uitkomst van politieke besluitvorming. Hierin worden verschillende belangen
afgewogen, de uitkomst is dus niet altijd rechtvaardig.
Een rechtsbetrekking is een juridische relatie tussen rechtssubjecten, de inhoud hiervan zijn rechten en
plichten -> wat een plicht is voor de ene partij, is vaak een recht voor de andere partij.
Bijvoorbeeld: als student heb je de plicht om schoolgeld te betalen en de school heeft recht op
het schoolgeld.
Rechtssubjecten:
- Juridische personen: zelfstandige dragers van rechten en plichten.
- Natuurlijke personen.
- Rechtspersonen: juridische constructie waardoor een organisatie een juridisch persoon wordt.
1. Publiekrechtelijke rechtspersonen -> zij oefenen overheidstaken uit en dienen publieke
belangen: milieu, veiligheid, onderwijs, zorg en welzijn, gezondheid, etc.
= Staat – Provincie – Gemeente. Maar ook: CBR, etc.
2. Privaatrechtelijke rechtspersonen -> private belagen, soms publieke belangen.
= Verenigingen – Stichtingen – Coöperatie – BV’s.
3. Kerkgenootschappen.
Een rechtssubject handelt legaal als een handeling op basis van het recht toegestaan is, de rechtssubject
maakt dan gebruik van het subjectief recht dat hem toekomt. Een rechtssubject heeft dus niet meer
bevoegdheden dan het recht hem toekent.
De student herkent de verschillende rechtsbronnen = objectief recht.
Geschreven rechtsbronnen.
Verdragen. Afspraken tussen 2 of meer staten/internationale organisaties. Gelden in beginsel tussen de
staten die partij zijn bij het verdrag.
Maar: burgers in Nederland kunnen bij de rechters in Nederland een beroep doen op direct
werkende bepalingen uit verdragen.
Internationaal recht (staten) -> In deze lijn bevinden zich gaatjes.
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Nationaal recht (burgers)
, Voorbeeld 1: Opa die een kind verwerkt bij kleinkind.
Voorbeeld 2: Vrouw die draagmoeder is en er ontstaat ruzie binnen de twee gezinnen.
Wet- en regelgeving. Verordeningen en richtlijnen van de Europese Unie en besluiten van de
Nederlandse overheid waarin regels staan. Dit laatste geldt vooral voor ons als Social Workers.
Ongeschreven rechtsbronnen.
Jurisprudentie. Uitspraken van rechters, wordt ook wel rechtersrecht genoemd. Algemene regels moeten
toegepast worden in een unieke rechtszaak, de rechter vult in de wet normen en waarden in.
Gewoonten. Wat we gewend zijn om te doen; dit is ontstaan in de loop van de tijd.
Subjectief recht: rechten en plichten ontleend aan geldende (= objectieve) rechten, persoonlijke rechten
en plichten dus.
De student herkent de verschillende soorten wet- en regelgeving.
Rangorde:
- Verdragen.
- Gemeenschapsverordeningen en -richtlijnen (EU).
- Grondwet (regering en SG).
- Overige wetten (regering en SG).
- Algemene maatregel van bestuur (regering).
- Ministeriële regelingen en richtlijnen (minister).
- Provinciale verordeningen (Provinciale Staten).
- Gemeentelijke verordeningen (gemeenteraad).
De student herkent de rechtsgebieden publiek- en privaatrecht en hun onderdelen.
Publiekrecht. Dit recht gaat om publieke belangen en deze belangen moeten worden behartigd door de
overheid. Centraal in dit recht: de organisatie van de overheid en het door of namens de overheid
behartigen van algemene/publieke belangen met behulp van exclusieve juridische bevoegdheden
(=openbaar gezag, overheidsgezag). Voorbeelden: uitkeringen, asielprocedure, studielening, boetes, etc.
Het publiekrecht wordt opgedeeld in drie onderdelen:
1. Staatsrecht. Hierin wordt de organisatie van de overheid beschreven; organen en bevoegdheden.
Voorbeelden: Grondwet en Gemeentewet.
2. Strafrecht. Strafbare gedragen, straffen die opgelegd zijn door een rechter en regels over
berechting.
Voorbeelden: Opiumwet en Wetboek van Strafrecht.
3. Bestuursrecht.