Becker, A. Inleiding in de pedagogiek. H1,2,3,6.
Tieleman, M. Levensfasen. H7,8,9,10.
Vraag 1:
Er zijn vier basisdimensies van opvoeden, welke van de onderstaande is geen basisdimensie van
opvoeden?
A. Ondersteuning bieden
B. Grenzen stellen
C. Instructie geven
D. Theorieën en methoden handhaven
Vraag 2:
Wat gaat vooraf aan een situatie voor een ouder die gericht is op de signalen die het kind uitzendt?
A. Responsiviteit
B. Sensitiviteit
C. Belonen
Vraag 3:
Wat gebeurt er bij een gedragsregulatie?
A. Een time-out en daarna bespreek je wat er precies is gebeurd
B. Je straft het kind gelijk op het handelen
C. Je beloont het kind voor het gedrag dat hij liet zien
, Vraag 4:
Wat staat niet centraal in een autoritaire opvoeding?
A. Macht en gezag
B. Druk uitoefenen op het kind om zo correct gedrag te vertonen
C. Inductief gedrag van de ouder
Vraag 5:
Kuipers hanteert opvoedingsdoelen, waarvoor is zelfredzaamheid van het kind belangrijk?
A. Voor de samenleving
B. Voor de toekomst
C. Voor het individu
Vraag 6:
Er zijn vier oriëntatieniveaus van pedagogisch besef (Van den Broeck). Wat houdt de subjectief-
individualistische oriëntatie in?
A. De ouder projecteert zijn eigen behoeften op het kind. De eigen wensen en behoeften staan
centraal.
B. De ouder probeert de behoefte van het kind te bevredigen binnen de context waarin de
opvoedrelatie zich afspeelt. Uniciteit staat centraal
C. De ouder zoekt naar evenwicht tussen zijn eigen behoeften en die van het kind.
Vraag 7:
Er zijn vier oriëntatieniveaus van pedagogisch besef (Van den Broeck). Welke van de onderstaande
drie heeft een positief effect op de ontwikkeling van het kind?
A. Egocentrische oriëntatie
B. Conventionele oriëntatie
C. Interactieve oriëntatie
Vraag 8: