Toetsdoel: De student benoemt kenmerken van de wet op Passend Onderwijs, en identificeert
uitgangspunten van handelingsgericht werken en de fasen van de 1-Zorgroute en past deze toe in
praktijknabije situaties.
Leerdoelen:
Je kunt uitleggen wat de belangrijke uitgangspunten zijn van de wet op Passend Onderwijs.
Je legt uit hoe scholen in de praktijk vorm geven aan de uitgangspunten van de wet op
Passend Onderwijs (zoals bijvoorbeeld zorgplicht, samenwerkingsverband
schoolondersteuningsprofiel, basisondersteuning, ontwikkelingsperspectief).
Je benoemt verschillen tussen diverse paradigma’s ten aanzien van zorg en onderwijs.
Je beschrijft hoe de uitgangspunten van Inclusief Onderwijs vormgegeven kunnen worden in
het basisonderwijs.
Kleine geschiedenis:
1899: Eerste school voor zwakzinnigen – voor debiele kinderen
Rond 1950: allerlei soorten scholen voor buitengewoon onderwijs
Rond 2014: wet op Passend Onderwijs
Wat is normaal? Wordt bepaald door context.
1. Normale kinderen
2. Aangepaste kinderen
3. Te repareren kinderen
Manieren van denken:
1. Defectparadigma: segregatie. Let op het stoornis van het kind. Worden in hokjes geplaatst. In
Nederland het je het regulier basisonderwijs, het speciaal basisonderwijs (regulier onderwijs
voor zwakkere leerlingen) en het speciaal onderwijs:
Cluster 1: visuele achterstand: blind of slechtziend
Cluster 2: auditieve achterstand: slechthorend of doof
Cluster 3: verstandelijke en/of lichamelijke beperkingen en leerlingen die langdurig ziek zijn.
Cluster 4: voor leerlingen met ernstige gedragsstoornissen en/of psychiatrische problematiek.
Denk aan zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK).
2. Ontwikkelingsparadigma: integratie. Elk mens recht op ontwikkeling. In Nederland heb je:
structuurklassen (kleinere klassen) op reguliere scholen, leerlingen met syndroom van Down
die in de ochtend op reguliere school zitten en in de middag in het speciaal onderwijs,
leerling met visuele beperking met ondersteuning in de reguliere klas, etc.
3. Burgerschapparadigma: inclusie. Alle kinderen hebben het recht ….
om zo dicht mogelijk in de buurt naar school te gaan (presentie)