Toetsdoel:
De student onderscheidt uitgangspunten van
gedragstheoretische-, interactionele-, cognitieve- en oplossingsgerichte
begeleidingsconcepten, past deze toe in praktijknabije situaties en ondersteunt zijn keuzes.
De student onderscheidt diverse pedagogische onderwijsbehoeften van leerlingen, kiest
pedagogisch-, didactisch- en organisatorisch handelen waarmee hij tegemoet komt aan deze
behoeften en ondersteunt zijn keuzes.
Leerdoel:
Je kunt de uitgangspunten van de cognitieve benadering van gedrag herkennen en uitleggen
Je kent drie strategieën om tegemoet te komen aan de onderwijsbehoeften van
(hoogbegaafde) leerlingen met (ontwikkelde) faalangst van (hoogbegaafde) - passend bij de
cognitieve gedragsbenadering
, Hoogbegaafdheid en faalangst
Sjors voorbeeld: succesvol aangepaste leerling.
Misverstand 1: eigenwijze, betweterige mini-professors die alles weten. Is niet zo: faalangst.
Hoogbegaafde leerlingen denken door hoe ze zijn anders; verbanden leggen; analyseren. Leerlingen
in de klas: ‘Doe toch niet zo overdreven!’
Misverstand 2: hoogbegaafd is altijd met IQ boven 130, die kan alles goed, die heeft geen faalangst.
Hoogbegaafde leerling is een snelle en slimme denker. Ze passen zich aan. Als niemand in groep 1 nog
leest, dan kan ik dat ook niet. Past zich aan. Heel erg gevoelig en emotioneel, intens levend.
Leerhonger: moeilijke sommen geven
Anders zijn: als lk meer rekening meer houden. als
je leerlingen gaat uitdagen, moet je zijnsluik
ondersteunen anders gaan ze uitdaging uit de weg.
Misverstand 3: eerst moet de ll zich bewijzen, voordat we dan gaan kijken naar of je een sociale
achterstand hebt. Is niet zo; als je hoogbegaafde niet vanaf begin begeleid dan gaan ze aanpassen,
onderduiken of helemaal afzakken (Drop-Out). Of dat ze ineens ADHD hebben (gedragsproblemen)
en vervolgens gaan afzakken (Drop-Out).