Samenvatting orthopedagogiek.
CH01. Rigter: Handboek ontwikkelingspsychopathologie bij
kinderen en jeugdigen.
Par. 3.4/3.5 Risico- en beschermingsfactoren en
ontwikkelingstrajecten (p. 62-75).
De student heeft zicht op de rol van de HBO-pedagoog binnen het
orthopedagogisch werkveld.
De student heeft zicht op de variatie aan problemen binnen de
ontwikkeling van kinderen/jeugdigen in het orthopedagogisch werkveld.
Risico- en beschermingsfactoren:
Groeps- en individueel niveau:
Een risicofactor is een kenmerk dat de kans op een bepaalde stoornis
vergroot. Het is geen absolute uitspraak, maar een kansuitspraak.
Beschermingsfactoren zijn factoren die, gegeven de aanwezigheid van een
risico, samengaan met en verminderende kans op het krijgen van een
stoornis. Dit betekend dat die beschermingsfactor op zich geen invloed
heeft op het ontstaan of voorkomen van een stoornis. Als er geen
risicofactor is, speelt een beschermingsfactor geen rol.
Indeling van risicofactoren:
Een echte risicofactor is aanwezig, voordat het probleemgedrag ontstaat.
Maar wat precies de risicofactor is en wat het probleemgedrag is, is vaak
moeilijk vast te stellen. Naast de echte risicofactoren die een probleem
veroorzaken, onderscheiden we ook factoren die een probleem verergeren
of in stand houden.
1. Risicofactoren op niveau van het kind.
We maken hierbij onderscheid tussen biologische factoren,
gedragskenmerken en ingrijpende gebeurtenissen.
Biologische factoren.
Veel psychische stoornissen worden genetisch doorgegeven, maar meestal
onvoldoende om de stoornis te veroorzaken (uitzondering
autismespectrumstoornis).
De tweede bekende biologische factor is prenatale programmering.
Door processen tijdens de zwangerschap (bijvoorbeeld tekort of te veel
aan bepaalde voedingsstoffen, medicatie of stresshormoon) kunnen het
lichaam en hersenen van het kind zo afgesteld worden dat de kans groot is
dat het bepaalde stoornissen krijgt op latere leeftijd. Ook een laag
geboortegewicht of vroeggeboorte zijn bekende factoren.
De derde biologische factor is de sekse van het kind. Jongens en meisjes
hebben even veel kans op het ontwikkelen van een stoornis, maar per
stoornis is het verschillend. Jongens hebben meer kans op
externaliserende problemen en meisjes meer op internaliserende. De
oorzaak kan liggen aan het socialisatieproces, maar ook verschil in
genetische aanleg.
Gedragskenmerken.
Temperament is erg belangrijk voor de ontwikkeling van een kind. Er is
onderzocht dat kinderen met een ‘moeilijk temperament’ meer kans
hebben op latere (gedrags-) problemen en bij een teruggetrokken
temperament (verlegenheid) komen vaker angststoornissen voor. Het
,temperament kun je al merken aan een baby, het is dan een ‘moeilijke’
baby (veel huilen, weinig aanpassingsvermogen, onvoorspelbaarheid, het
kind speelt druk).
Hechting is de tweede vorm van gedrag dat een rol kan spelen bij het
ontstaan van veel psychische problemen. Onderzoek wijst uit dat onveilige
hechting een risicofactor is voor veel psychische stoornissen.
Ingrijpende gebeurtenis.
- Overgangen tussen levensfasen kunnen ingrijpend zijn (bijvoorbeeld
naar de basisschool gaan, start puberteit, gaan werken of studeren,
verhuizing). Er worden hierbij nieuwe eisen aan het kind gesteld en
daarbij doen zich nieuwe ontwikkelingsopgaven voor. Ieder kind maakt
deze mee, maar voor bepaalde kinderen kunnen deze als ingrijpend
worden gezien.
- Langdurig gescheiden worden van opvoeders (bijv. door
ziekenhuisopnamen) kan ingrijpend zijn. Voor kinderen tussen de 6
maanden en 4 is dit het heftigst. Dan is hun gehechtheidssysteem het
scherpst ingesteld. Na hun 4e jaar hebben ze cognitie om het te
begrijpen.
- Mishandeling/verwaarlozing/misbruik.
- Angstaanjagende gebeurtenissen (overleiden van ouder, meemaken
van gezinsgeweld of natuurramp) dit wordt samengevat onder het
begrip trauma.
2. Risicofactoren op het niveau van ouders en gezin.
We maken onderscheid tussen structurele kenmerken (ouders met
psychische problematiek, eenoudergezinnen, echtscheiding) en
proceskenmerken (concreet opvoedingsgedrag van de ouders en gezinsklimaat).
Structurele kenmerken:
Kinderen die een ouder hebben met psychische problematiek hebben een
verhoogd risico om zelf ook psychische problemen te ontwikkelen, maar
de meeste groeien op zonder problemen. Belangrijker is het opvoedproces
in het gezin. Het kan zijn dat ouders met psychische problemen minder
goed in staat zijn om opvoedkundige taken uit te voeren. Hun
opvoedingsstijl is meer negatief getypeerd.
Echtscheiding vormt een risicofactor voor het ontwikkelen van kinderen,
maar dat geld niet voor elke scheiding. Dit ligt eraan of er geweld in het
spel is en de relaties erna. Dit is van grotere invloed dan de scheiding zelf.
Eenoudergezinnen zijn een risicofactor voor de ontwikkeling van het
kind, maar dat ligt er ook aan hoe de situatie is. Problemen als stress,
slechte woonruimte blijken voor alleenstaande ouders lastig. Het is
belangrijk om dan een sociaal netwerk te hebben waar ze op kunnen
leunen.
Proceskenmerken:
Dit heeft te maken met de opvoedingsstijlen (permissief, autoritatief,
verwaarlozend, autoritair). Het gezin als geheel kan getypeerd worden aan de
hand van het gezinsklimaat (kluwengezinnen, los-zandgezinnen).
3. Risicofactoren op het niveau van de omgeving.
,We maken onderscheid tussen (sociale) omstandigheden en de
vriendengroep van het kind, de kenmerken van de school en buurt,
en de normen en waarden over opvoeding van de cultuur waarbinnen
het gezin wordt opgevoed.
De omstandigheden van het kind wordt sociaal-economische status
genoemd. Een lage SES betekend een laag inkomen, werkeloos of laag
opleidingsniveau. Deze kinderen hebben een grotere kans op psychische
problemen. Het succesvol volgen van een school of opleiding is een
belangrijke ontwikkelingsopgaven van een kind. Het contact en interactie
met leeftijdsgenoten kunnen een risico vormen als het kind door
leeftijdsgenoten wordt afgewezen of gepest. Ook waarden en normen uit
een cultuur kunnen in bepaalde situaties een risicofactor vormen.
Beschermingsfactoren.
Beschermingsfactoren op niveau van het kind.
- Een hoog IQ;
- Goede emotieregulatie;
- Makkelijk temperament;
- Hoge interne locus of control.
Beschermingsfactoren op gezinsniveau.
- Aanwezigheid van minimaal één volwassenen die het kind
bescherming biedt in materiële zin (dak boven het hoofd, voedsel, kleding)
en in sociaal emotionele zin (warmte, liefde, veiligheid, stellen van grenzen);
- Een positief gezinsklimaat met ouderlijke steun, hechte banden,
democratieve opvoedingsstijl, respect;
- Ouderlijk toezicht. Een adolescent van wie de ouders zijn vrienden
kennen en weten waar hij zich bevindt is minder geneigd tot afwijkend
gedrag;
- Ouders die elkaar steunen en een goede huwelijksrelatie hebben is
een buffer;
- Goede en adequate kennis van de ouders over hoe kinderen
ontwikkelen;
- Goede relatie met broertjes en zusjes.
Beschermingsfactoren uit de sociale omgeving.
De belangrijkste beschermingsfactor is de sociale steun. Ouders die er
(tijdelijk) alleen voor staan kunnen de zorg het beste delen met iemand
die dicht bij ze staat. Kwaliteit van de buurt waarin een kind opgroeit.
Positieve onderwijservaringen of sportactiviteiten, toneel of andere
hobby’s kunnen beschermende functies uitvoeren, omdat het kind in staat
stelt om succeservaringen op te doen die wellicht in het gezin niet
opgedaan worden. Dit bevorderd bij het kind zijn competentiegevoel en
gevoel van eigenwaarde. Leeftijdgenoten kunnen een risicofactor vormen,
maar een goede relatie met leeftijdsgenoten kan ook als buffer dienen. De
kwaliteit van die relatie wordt bepaald door 3 factoren: 1. De mate waarin
het kind wordt geaccepteerd, 2. Het aantal vriendschappen dat hij heeft.
3. De kwaliteit van de vriendschappen.
, Effect van en invloed op risico en beschermingsfactoren.
Het is logisch dat wanneer een kind al genetische aanleg heeft voor een
stoornis en er dan meer risicofactoren bij komen, de kans groot is dat het
kind ook een stoornis krijgt.
Effectversterkende processen en aspecten.
Onderzoek laat zien dat er 3 processen zijn van wetmatige invloed op de
impact van risico- als beschermende factoren. Het moment van de
ontwikkeling van het kind waarop de factor optreed. Hoe vroeger in de
ontwikkeling van een kind een factor zich voordoet, hoe groter de invloed
zal zijn. Zowel risico als beschermende factoren. Relatie tussen de duur en
mate van blootstelling aan de risicofactor/beschermingsfactor en de
impact ervan. Dit wordt dosis-responsrelatie genoemd (hoe hoger de
dosis, hoe groter het effect). Effect van een factor is afhankelijk van de
leeftijd van het kind en de daarbij horende ontwikkelingsopgaven. In een
sensitieve perioden (een periode waarin bepaalde vaardigheden worden
ontwikkeld) kunnen sommige invloeden van buitenaf een extra grote
invloed hebben.
Ontwikkelingstrajecten.
Multifinaliteit: betekend letterlijk ‘meerdere eindpunten’. Het betekend
dat kinderen die bij hun ontwikkeling hetzelfde beginpunt hebben niet
hetzelfde ontwikkelingstraject en eindresultaat hoeven te vertonen, en dat
de continue wisselwerking met de invloed van risicovolle en
beschermende factoren individuen met elkaar doet verschillen. Bv:
verhuizen biedt risicofactoren voor het ene kind (vrienden verliezen) en voor
het andere kind juist een kansrijk traject (nieuwe vriendschappen maken).
Equifinaliteit: betekend letterlijk ‘hetzelfde eindpunt’. Dus verschillende
kenmerken vormen een probleem. Een kind kan drugsproblemen krijgen,
doordat een ouder verslaafd is, doordat hij veel stress heeft en gaat
experimenteren of hij een negatieve stemming wil onderdrukken.
Vervolg CH01. Hoof: Als opvoedden niet vanzelf gaat.
Par. 7.1 Typering van een problematische
ontwikkeling: kenmerken en classificatie (p. 156-
161).
Par 5.5 De regulatieve cyclus. (p. 121-138).
Het analyseren van een problematische opvoedingssituatie.
7.1 Typering van een problematische ontwikkeling: kenmerken en
classificatie.
In Nederland maakt ruim een kwart van de ouders zich zorgen om hun
kind en/of de opvoeding. Het is moeilijk te zeggen wanneer we over een
problematische opvoedingssituatie praten. Dit heeft te maken met de
beleving van de cliënt, de maatschappelijke visie en de waarden en
normen die hierbij horen.
Als gedrag of ontwikkeling worden vergeleken met een bepaalde norm, is
er sprake van een statistische benadering, waarbij over de kwaliteit van
het gedrag geen uitspraak wordt gedaan. Het gedrag wordt gemeten en
CH01. Rigter: Handboek ontwikkelingspsychopathologie bij
kinderen en jeugdigen.
Par. 3.4/3.5 Risico- en beschermingsfactoren en
ontwikkelingstrajecten (p. 62-75).
De student heeft zicht op de rol van de HBO-pedagoog binnen het
orthopedagogisch werkveld.
De student heeft zicht op de variatie aan problemen binnen de
ontwikkeling van kinderen/jeugdigen in het orthopedagogisch werkveld.
Risico- en beschermingsfactoren:
Groeps- en individueel niveau:
Een risicofactor is een kenmerk dat de kans op een bepaalde stoornis
vergroot. Het is geen absolute uitspraak, maar een kansuitspraak.
Beschermingsfactoren zijn factoren die, gegeven de aanwezigheid van een
risico, samengaan met en verminderende kans op het krijgen van een
stoornis. Dit betekend dat die beschermingsfactor op zich geen invloed
heeft op het ontstaan of voorkomen van een stoornis. Als er geen
risicofactor is, speelt een beschermingsfactor geen rol.
Indeling van risicofactoren:
Een echte risicofactor is aanwezig, voordat het probleemgedrag ontstaat.
Maar wat precies de risicofactor is en wat het probleemgedrag is, is vaak
moeilijk vast te stellen. Naast de echte risicofactoren die een probleem
veroorzaken, onderscheiden we ook factoren die een probleem verergeren
of in stand houden.
1. Risicofactoren op niveau van het kind.
We maken hierbij onderscheid tussen biologische factoren,
gedragskenmerken en ingrijpende gebeurtenissen.
Biologische factoren.
Veel psychische stoornissen worden genetisch doorgegeven, maar meestal
onvoldoende om de stoornis te veroorzaken (uitzondering
autismespectrumstoornis).
De tweede bekende biologische factor is prenatale programmering.
Door processen tijdens de zwangerschap (bijvoorbeeld tekort of te veel
aan bepaalde voedingsstoffen, medicatie of stresshormoon) kunnen het
lichaam en hersenen van het kind zo afgesteld worden dat de kans groot is
dat het bepaalde stoornissen krijgt op latere leeftijd. Ook een laag
geboortegewicht of vroeggeboorte zijn bekende factoren.
De derde biologische factor is de sekse van het kind. Jongens en meisjes
hebben even veel kans op het ontwikkelen van een stoornis, maar per
stoornis is het verschillend. Jongens hebben meer kans op
externaliserende problemen en meisjes meer op internaliserende. De
oorzaak kan liggen aan het socialisatieproces, maar ook verschil in
genetische aanleg.
Gedragskenmerken.
Temperament is erg belangrijk voor de ontwikkeling van een kind. Er is
onderzocht dat kinderen met een ‘moeilijk temperament’ meer kans
hebben op latere (gedrags-) problemen en bij een teruggetrokken
temperament (verlegenheid) komen vaker angststoornissen voor. Het
,temperament kun je al merken aan een baby, het is dan een ‘moeilijke’
baby (veel huilen, weinig aanpassingsvermogen, onvoorspelbaarheid, het
kind speelt druk).
Hechting is de tweede vorm van gedrag dat een rol kan spelen bij het
ontstaan van veel psychische problemen. Onderzoek wijst uit dat onveilige
hechting een risicofactor is voor veel psychische stoornissen.
Ingrijpende gebeurtenis.
- Overgangen tussen levensfasen kunnen ingrijpend zijn (bijvoorbeeld
naar de basisschool gaan, start puberteit, gaan werken of studeren,
verhuizing). Er worden hierbij nieuwe eisen aan het kind gesteld en
daarbij doen zich nieuwe ontwikkelingsopgaven voor. Ieder kind maakt
deze mee, maar voor bepaalde kinderen kunnen deze als ingrijpend
worden gezien.
- Langdurig gescheiden worden van opvoeders (bijv. door
ziekenhuisopnamen) kan ingrijpend zijn. Voor kinderen tussen de 6
maanden en 4 is dit het heftigst. Dan is hun gehechtheidssysteem het
scherpst ingesteld. Na hun 4e jaar hebben ze cognitie om het te
begrijpen.
- Mishandeling/verwaarlozing/misbruik.
- Angstaanjagende gebeurtenissen (overleiden van ouder, meemaken
van gezinsgeweld of natuurramp) dit wordt samengevat onder het
begrip trauma.
2. Risicofactoren op het niveau van ouders en gezin.
We maken onderscheid tussen structurele kenmerken (ouders met
psychische problematiek, eenoudergezinnen, echtscheiding) en
proceskenmerken (concreet opvoedingsgedrag van de ouders en gezinsklimaat).
Structurele kenmerken:
Kinderen die een ouder hebben met psychische problematiek hebben een
verhoogd risico om zelf ook psychische problemen te ontwikkelen, maar
de meeste groeien op zonder problemen. Belangrijker is het opvoedproces
in het gezin. Het kan zijn dat ouders met psychische problemen minder
goed in staat zijn om opvoedkundige taken uit te voeren. Hun
opvoedingsstijl is meer negatief getypeerd.
Echtscheiding vormt een risicofactor voor het ontwikkelen van kinderen,
maar dat geld niet voor elke scheiding. Dit ligt eraan of er geweld in het
spel is en de relaties erna. Dit is van grotere invloed dan de scheiding zelf.
Eenoudergezinnen zijn een risicofactor voor de ontwikkeling van het
kind, maar dat ligt er ook aan hoe de situatie is. Problemen als stress,
slechte woonruimte blijken voor alleenstaande ouders lastig. Het is
belangrijk om dan een sociaal netwerk te hebben waar ze op kunnen
leunen.
Proceskenmerken:
Dit heeft te maken met de opvoedingsstijlen (permissief, autoritatief,
verwaarlozend, autoritair). Het gezin als geheel kan getypeerd worden aan de
hand van het gezinsklimaat (kluwengezinnen, los-zandgezinnen).
3. Risicofactoren op het niveau van de omgeving.
,We maken onderscheid tussen (sociale) omstandigheden en de
vriendengroep van het kind, de kenmerken van de school en buurt,
en de normen en waarden over opvoeding van de cultuur waarbinnen
het gezin wordt opgevoed.
De omstandigheden van het kind wordt sociaal-economische status
genoemd. Een lage SES betekend een laag inkomen, werkeloos of laag
opleidingsniveau. Deze kinderen hebben een grotere kans op psychische
problemen. Het succesvol volgen van een school of opleiding is een
belangrijke ontwikkelingsopgaven van een kind. Het contact en interactie
met leeftijdsgenoten kunnen een risico vormen als het kind door
leeftijdsgenoten wordt afgewezen of gepest. Ook waarden en normen uit
een cultuur kunnen in bepaalde situaties een risicofactor vormen.
Beschermingsfactoren.
Beschermingsfactoren op niveau van het kind.
- Een hoog IQ;
- Goede emotieregulatie;
- Makkelijk temperament;
- Hoge interne locus of control.
Beschermingsfactoren op gezinsniveau.
- Aanwezigheid van minimaal één volwassenen die het kind
bescherming biedt in materiële zin (dak boven het hoofd, voedsel, kleding)
en in sociaal emotionele zin (warmte, liefde, veiligheid, stellen van grenzen);
- Een positief gezinsklimaat met ouderlijke steun, hechte banden,
democratieve opvoedingsstijl, respect;
- Ouderlijk toezicht. Een adolescent van wie de ouders zijn vrienden
kennen en weten waar hij zich bevindt is minder geneigd tot afwijkend
gedrag;
- Ouders die elkaar steunen en een goede huwelijksrelatie hebben is
een buffer;
- Goede en adequate kennis van de ouders over hoe kinderen
ontwikkelen;
- Goede relatie met broertjes en zusjes.
Beschermingsfactoren uit de sociale omgeving.
De belangrijkste beschermingsfactor is de sociale steun. Ouders die er
(tijdelijk) alleen voor staan kunnen de zorg het beste delen met iemand
die dicht bij ze staat. Kwaliteit van de buurt waarin een kind opgroeit.
Positieve onderwijservaringen of sportactiviteiten, toneel of andere
hobby’s kunnen beschermende functies uitvoeren, omdat het kind in staat
stelt om succeservaringen op te doen die wellicht in het gezin niet
opgedaan worden. Dit bevorderd bij het kind zijn competentiegevoel en
gevoel van eigenwaarde. Leeftijdgenoten kunnen een risicofactor vormen,
maar een goede relatie met leeftijdsgenoten kan ook als buffer dienen. De
kwaliteit van die relatie wordt bepaald door 3 factoren: 1. De mate waarin
het kind wordt geaccepteerd, 2. Het aantal vriendschappen dat hij heeft.
3. De kwaliteit van de vriendschappen.
, Effect van en invloed op risico en beschermingsfactoren.
Het is logisch dat wanneer een kind al genetische aanleg heeft voor een
stoornis en er dan meer risicofactoren bij komen, de kans groot is dat het
kind ook een stoornis krijgt.
Effectversterkende processen en aspecten.
Onderzoek laat zien dat er 3 processen zijn van wetmatige invloed op de
impact van risico- als beschermende factoren. Het moment van de
ontwikkeling van het kind waarop de factor optreed. Hoe vroeger in de
ontwikkeling van een kind een factor zich voordoet, hoe groter de invloed
zal zijn. Zowel risico als beschermende factoren. Relatie tussen de duur en
mate van blootstelling aan de risicofactor/beschermingsfactor en de
impact ervan. Dit wordt dosis-responsrelatie genoemd (hoe hoger de
dosis, hoe groter het effect). Effect van een factor is afhankelijk van de
leeftijd van het kind en de daarbij horende ontwikkelingsopgaven. In een
sensitieve perioden (een periode waarin bepaalde vaardigheden worden
ontwikkeld) kunnen sommige invloeden van buitenaf een extra grote
invloed hebben.
Ontwikkelingstrajecten.
Multifinaliteit: betekend letterlijk ‘meerdere eindpunten’. Het betekend
dat kinderen die bij hun ontwikkeling hetzelfde beginpunt hebben niet
hetzelfde ontwikkelingstraject en eindresultaat hoeven te vertonen, en dat
de continue wisselwerking met de invloed van risicovolle en
beschermende factoren individuen met elkaar doet verschillen. Bv:
verhuizen biedt risicofactoren voor het ene kind (vrienden verliezen) en voor
het andere kind juist een kansrijk traject (nieuwe vriendschappen maken).
Equifinaliteit: betekend letterlijk ‘hetzelfde eindpunt’. Dus verschillende
kenmerken vormen een probleem. Een kind kan drugsproblemen krijgen,
doordat een ouder verslaafd is, doordat hij veel stress heeft en gaat
experimenteren of hij een negatieve stemming wil onderdrukken.
Vervolg CH01. Hoof: Als opvoedden niet vanzelf gaat.
Par. 7.1 Typering van een problematische
ontwikkeling: kenmerken en classificatie (p. 156-
161).
Par 5.5 De regulatieve cyclus. (p. 121-138).
Het analyseren van een problematische opvoedingssituatie.
7.1 Typering van een problematische ontwikkeling: kenmerken en
classificatie.
In Nederland maakt ruim een kwart van de ouders zich zorgen om hun
kind en/of de opvoeding. Het is moeilijk te zeggen wanneer we over een
problematische opvoedingssituatie praten. Dit heeft te maken met de
beleving van de cliënt, de maatschappelijke visie en de waarden en
normen die hierbij horen.
Als gedrag of ontwikkeling worden vergeleken met een bepaalde norm, is
er sprake van een statistische benadering, waarbij over de kwaliteit van
het gedrag geen uitspraak wordt gedaan. Het gedrag wordt gemeten en