Samenvatting psychologie.
CH01. Nabuurs: Hoofdstuk 1. Het werkterrein van de
systeemgerichte social worker.
Hoofdstuk 2; par. 2.1 t/m 2.3 en 2.5 t/m 2.6.
Systeemtheorieën.
De student kan een systemische analyse maken van
praktijksituaties.
Systeemgericht werken. Hoofdstuk 1. Het
werkterrein van de systeemgerichte social
worker.
Systeem: het begrip systeem wijst op een eenheid,
opgebouwd uit deelverhoudingen; het gaat niet alleen
op de delen op zich, ook niet om het geheel, maar om
de doelgerichte betrekkingen tussen dit alles.
Systeemgericht werken kan op verschillende manieren
worden opgevat:
1. Een verwijzing naar een therapievorm, waarbij niet alleen de cliënt
maar ook het gezin, of een groep mensen die een duurzame relatie
met elkaar hebben bij de behandeling (deels) aanwezig zijn.
2. Betrekking op de inhoud of het doel van de behandeling. De
onderlinge relaties vormen het belangrijkste aandachtspunt. Het
doel is om het functioneren van het (gezins)systeem te verbeteren.
3. Betrekking op de circulariteit. Dus de wederzijdse beïnvloeding van
de verschillende systemen.
Het individuele systeem.
De mens is opgebouwd uit cellen, die samen organen vormen. De organen
vormen stelsels: bewegingsstelsel, de bloedsomloop, het
spijsverteringsstelsel. Alle stelsels samen vormen het menselijk lichaam.
Samen met de psyche (het denken, het gevoel, redeneren en
persoonlijkheid) vormt de mens. Al die verschillende systemen heten
subsystemen.
De mens is voortdurend in interactie met zichzelf: het lichaam en de
psyche zendt over en weer boodschappen uit naar elkaar.
Open systemen: alle levende wezens. Open systemen zijn in continue
interactie met hun omgeving. Er is hierbij spraken van input (informatie),
troughput (bewerkt in systeem) en output (omgeving). Door de
uitwisseling tussen het systeem en de omgeving krijgt het systeem
voortdurend feedback. Dit zorgt ervoor dat de interacties van het
individuele systeem en de omgeving circulair van aard zijn.
De benadering van de mens als systeem wordt door Von Bertalanffy
benoemd als ‘Wholeness’. De totale mens.
Gesloten systemen: hebben een beperkte interactie met de omgeving.
Open systemen kunnen steeds meer gesloten raken wanneer de
uitwisseling met de omgeving afneemt. Dit proces heet entropie.
Door bijvoorbeeld lichamelijke of geestelijke ziekte. De energie zal
afnemen (energie-uitputting) waardoor er geen input meer is.
,Een verstoring van dit evenwicht heeft gevolgen voor de
energiehuishouding van het individuele systeem. Gezondheid wordt
uitgewerkt in de systeemtheorie.
Negentropie: er is energie beschikbaar, waardoor het systeem zich
beweegt in de richting van (toenemende) gezondheid.
Entropie: Er is meer energie nodig dan beschikbaar is en beweegt het
systeem zich in de richting van een (afnemende) gezondheid of ziekte.
Mechanisme waarbij een mens zich aanpast aan zijn omgeving of
aanpassingen in zijn omgeving doet, wordt zelfstabilisatie genoemd.
Vb. Je kan het systeem aanpassen door warme kleding aan te doen (mens
past zich aan) of door een vuurtje te maken (omgeving aanpassen).
Wanner een systeem zichzelf niet aanpast, maar zich structureel wijzigt
wordt dit zelforganisatie genoemd. Vb. Lichaam is aangepast om de
voortdurende kou te trotseren.
Subsysteem.
Kleinste sociale subsysteem bestaat uit twee personen en wordt een
dyadisch subsysteem genoemd. Binnen een gezin bv: subsysteem
grootouders, subsysteem ouders, subsysteem kinderen.
Bij een nieuw samengesteld gezin vormen de kinderen van de
verschillende ouders ook aparte subsystemen. Dit is dus meestal
generationeel bepaald. Bij een specifiek subsysteem horen ook regels,
normen en waarden.
Het suprafamiliaire systeem.
Kan opgebouwd zijn uit verschillende gezinssystemen en individuele
systemen. De familieleden behoren tot het persoonlijke sociale netwerk
van het gezin. Het zijn de mensen waarmee je een duurzame band hebt.
Dit netwerk kan een belangrijke functie vervullen als steunbron voor het
gezin of individuele gezinsleden. De familie heeft vaak goed zicht op de
problemen die er zijn in het gezin. Ze beschikken ook vaak over
doeltreffende oplossingsstrategieën.
Familie kan dus een positieve bijdrage leveren, maar ook veel conflicten
met zich meebrengen. De familie heeft zijn eigen geschiedenis, belevingen
en gevoelens van recht en onrecht. De social worker werkt vanuit een
meerzijdige partijdigheid want ‘de’ waarheid bestaat niet.
De rol van familie veranderd van buitenspelpositie naar een actief
betrokken rol.
De omgeving als systeem.
De omgeving bestaat uit alle interne en externe factoren of invloeden die
het gezinssysteem omgeven. Het gezinssysteem kan de omgeving
beïnvloeden en omgekeerd kan de omgeving het gezinssysteem
beïnvloeden. Er wordt veel aandacht besteed aan de omgeving, want dit
geeft informatie over steunbronnen of stressfactoren binnen het gezin.
Vaak komen problemen binnen een gezin ook naar buiten via de
omgeving. Bv. consultatiebureau of school.
Systeempentagram.
,De vijf systemen waarmee de systeemgericht social worker te maken
heeft zijn dus:
1. Individuele systeem;
2. Subsysteem;
3. Gezinssysteem;
4. Suprafamiliaire systeem;
5. Omgeving als systeem.
Het ene systeem is niet belangrijker dan de andere. De cliënt blijft
uiteraard centraal staan. Voor effectieve hulpverlening moet er aandacht
zijn voor alle systemen.
De plek van de social worker binnen de systemen.
De social worker kan zich op alle systemen richten, er is geen
hiërarchische volgorde aan gekoppeld. De social worker hoeft niet altijd als
eerste met de cliënt te werken. De psycholoog Abraham H. Maslow biedt
met zijn behoeftepiramide nog wel altijd een goede leidraad.
Als social workers oog hebben
voor de eenheid van de
mens, de onderlinge
relaties tussen lichaam en psyche, de verbintenis tussen de organen kan
dat de cliënt helpen. Voor problemen van cliënten zijn vaak geen directe
oorzaken te vinden.
Interactiepatronen tussen twee of meer personen en met een duurzame
relatie zijn te onderscheiden in 2 soorten:
- Symmetrische interactie: het gedrag van de een wordt gevolgd
door eenzelfde soort gedrag van de ander. De betrokkenen nemen
een soortgelijke positie in en wisselen soortgelijke boodschappen uit.
Wanneer de een verwijten maakt, maakt de ander verwijten terug.
Wanneer de een begint te schelden, scheld de ander terug. Het gaat
om macht die steeds verder escaleert totdat iemand het opgeeft.
Begeleiding: verwijten vervangen door verzoeken aan de ander.
- Complementaire interactie: tegengesteld gedrag dat bij elkaar
past. Interactie is gebaseerd op ongelijkheid. De een heeft een
leidende en de ander een volgzame rol. De verhoudingen worden
steeds extremer, waardoor er geen gelijkwaardigheid meer is in de
relatie.
Begeleiding: leren om de een (volgzame) meer te laten geven en de
ander (leidende) meer te laten nemen, zodat de relatie weer gelijk
wordt.
De social worker neemt in het begin een centrale positie in het
hulpverleningsproces in. Het gevaar hierbij is dat cliënten afhankelijk
worden van jou als hulpverlener. De plek van de hulpverlener verschuift
, gedurende de werkperiode van ‘boven’ naar ‘naast’ naar ‘buiten’ het
gezin.
Suprafamiliaire betreft bloedverwanten en partners: de ooms, tantes,
opa’s en oma’s.
De veranderde rol van de hulpverlening (van zelf de regie in handen
hebben naar vertrouwen hebben in het oplossingsvermogen van de
familie) vraagt om een andere houding.
Eigen kracht:
- De cliënt is eigenaar van zijn probleem;
- De cliënt is eigenaar van de conferentie en het plan;
- De cliënt houdt de regie over de uitvoering van het plan.
Om de familie in beeld te brengen wordt vaak gebruik gemaakt van een
genogram: grafische weergave van een aantal, meestal drie generaties,
van het gezin en de relaties hierbinnen.
Of van een eco- en sociogram. Deze worden ook gebruikt om de omgeving
in beeld te krijgen (wordt verder uitgelegd in een ander hoofdstuk).
De omgeving zijn: school, peergroupen, het werk, gezagsinstanties enz.
Integratie is in de omgeving een onderdeel. De integratie van een gezin in
zijn omgeving binnen de samenleving maakt onderdeel uit van de mate
van welbevinden van het gezin. Integratie is een wederzijds proces:
enerzijds wordt er van nieuwkomers verwacht dat zij bereid zijn te
integreren, anderzijds moet de Nederlandse samenleving die integratie
mogelijk maken.
2. Systeemtheorieën.
2.1 Inleiding.
We hebben 4 systeemtheorieën:
- De Algemene Systeemtheorie (Von Bertafanffy) wordt beschouwd
als de basis van het systeemtheoretisch denken. Hierin wordt het
historisch kader en de kern van zijn theorie beschreven. Hierna worden
vanuit 3 systeemtheoretische invalshoeken het historisch kader, de
kern van de therapie en de plek van de therapeut toegelicht.
- Dit is de structurele systeemtheorie (Minuchin en anderen).
Binnen deze theorie staat de wijze waarop het gezin is
georganiseerd centraal;
- Strategische of Communicatietheorie (Haley en Watzawick). Zij
benaderen de wetmatige communicatie tussen mensen;
- Contextuele systeemtheorie (Boszormenyi-Nagy). Hij zegt dat de
relaties tussen familieleden over verschillende generaties moeten
betrokken worden in de analyse en behandeling.
2.2.1 De algemene systeemtheorie.
2.2.2 Kern van de theorie.
In het begin van de theorievorming was het denken gericht op de input in
een systeem en output. Hierna kwam er aandacht troughput. De
informatie die van de omgeving komt, wordt niet enkel verwerkt binnen
CH01. Nabuurs: Hoofdstuk 1. Het werkterrein van de
systeemgerichte social worker.
Hoofdstuk 2; par. 2.1 t/m 2.3 en 2.5 t/m 2.6.
Systeemtheorieën.
De student kan een systemische analyse maken van
praktijksituaties.
Systeemgericht werken. Hoofdstuk 1. Het
werkterrein van de systeemgerichte social
worker.
Systeem: het begrip systeem wijst op een eenheid,
opgebouwd uit deelverhoudingen; het gaat niet alleen
op de delen op zich, ook niet om het geheel, maar om
de doelgerichte betrekkingen tussen dit alles.
Systeemgericht werken kan op verschillende manieren
worden opgevat:
1. Een verwijzing naar een therapievorm, waarbij niet alleen de cliënt
maar ook het gezin, of een groep mensen die een duurzame relatie
met elkaar hebben bij de behandeling (deels) aanwezig zijn.
2. Betrekking op de inhoud of het doel van de behandeling. De
onderlinge relaties vormen het belangrijkste aandachtspunt. Het
doel is om het functioneren van het (gezins)systeem te verbeteren.
3. Betrekking op de circulariteit. Dus de wederzijdse beïnvloeding van
de verschillende systemen.
Het individuele systeem.
De mens is opgebouwd uit cellen, die samen organen vormen. De organen
vormen stelsels: bewegingsstelsel, de bloedsomloop, het
spijsverteringsstelsel. Alle stelsels samen vormen het menselijk lichaam.
Samen met de psyche (het denken, het gevoel, redeneren en
persoonlijkheid) vormt de mens. Al die verschillende systemen heten
subsystemen.
De mens is voortdurend in interactie met zichzelf: het lichaam en de
psyche zendt over en weer boodschappen uit naar elkaar.
Open systemen: alle levende wezens. Open systemen zijn in continue
interactie met hun omgeving. Er is hierbij spraken van input (informatie),
troughput (bewerkt in systeem) en output (omgeving). Door de
uitwisseling tussen het systeem en de omgeving krijgt het systeem
voortdurend feedback. Dit zorgt ervoor dat de interacties van het
individuele systeem en de omgeving circulair van aard zijn.
De benadering van de mens als systeem wordt door Von Bertalanffy
benoemd als ‘Wholeness’. De totale mens.
Gesloten systemen: hebben een beperkte interactie met de omgeving.
Open systemen kunnen steeds meer gesloten raken wanneer de
uitwisseling met de omgeving afneemt. Dit proces heet entropie.
Door bijvoorbeeld lichamelijke of geestelijke ziekte. De energie zal
afnemen (energie-uitputting) waardoor er geen input meer is.
,Een verstoring van dit evenwicht heeft gevolgen voor de
energiehuishouding van het individuele systeem. Gezondheid wordt
uitgewerkt in de systeemtheorie.
Negentropie: er is energie beschikbaar, waardoor het systeem zich
beweegt in de richting van (toenemende) gezondheid.
Entropie: Er is meer energie nodig dan beschikbaar is en beweegt het
systeem zich in de richting van een (afnemende) gezondheid of ziekte.
Mechanisme waarbij een mens zich aanpast aan zijn omgeving of
aanpassingen in zijn omgeving doet, wordt zelfstabilisatie genoemd.
Vb. Je kan het systeem aanpassen door warme kleding aan te doen (mens
past zich aan) of door een vuurtje te maken (omgeving aanpassen).
Wanner een systeem zichzelf niet aanpast, maar zich structureel wijzigt
wordt dit zelforganisatie genoemd. Vb. Lichaam is aangepast om de
voortdurende kou te trotseren.
Subsysteem.
Kleinste sociale subsysteem bestaat uit twee personen en wordt een
dyadisch subsysteem genoemd. Binnen een gezin bv: subsysteem
grootouders, subsysteem ouders, subsysteem kinderen.
Bij een nieuw samengesteld gezin vormen de kinderen van de
verschillende ouders ook aparte subsystemen. Dit is dus meestal
generationeel bepaald. Bij een specifiek subsysteem horen ook regels,
normen en waarden.
Het suprafamiliaire systeem.
Kan opgebouwd zijn uit verschillende gezinssystemen en individuele
systemen. De familieleden behoren tot het persoonlijke sociale netwerk
van het gezin. Het zijn de mensen waarmee je een duurzame band hebt.
Dit netwerk kan een belangrijke functie vervullen als steunbron voor het
gezin of individuele gezinsleden. De familie heeft vaak goed zicht op de
problemen die er zijn in het gezin. Ze beschikken ook vaak over
doeltreffende oplossingsstrategieën.
Familie kan dus een positieve bijdrage leveren, maar ook veel conflicten
met zich meebrengen. De familie heeft zijn eigen geschiedenis, belevingen
en gevoelens van recht en onrecht. De social worker werkt vanuit een
meerzijdige partijdigheid want ‘de’ waarheid bestaat niet.
De rol van familie veranderd van buitenspelpositie naar een actief
betrokken rol.
De omgeving als systeem.
De omgeving bestaat uit alle interne en externe factoren of invloeden die
het gezinssysteem omgeven. Het gezinssysteem kan de omgeving
beïnvloeden en omgekeerd kan de omgeving het gezinssysteem
beïnvloeden. Er wordt veel aandacht besteed aan de omgeving, want dit
geeft informatie over steunbronnen of stressfactoren binnen het gezin.
Vaak komen problemen binnen een gezin ook naar buiten via de
omgeving. Bv. consultatiebureau of school.
Systeempentagram.
,De vijf systemen waarmee de systeemgericht social worker te maken
heeft zijn dus:
1. Individuele systeem;
2. Subsysteem;
3. Gezinssysteem;
4. Suprafamiliaire systeem;
5. Omgeving als systeem.
Het ene systeem is niet belangrijker dan de andere. De cliënt blijft
uiteraard centraal staan. Voor effectieve hulpverlening moet er aandacht
zijn voor alle systemen.
De plek van de social worker binnen de systemen.
De social worker kan zich op alle systemen richten, er is geen
hiërarchische volgorde aan gekoppeld. De social worker hoeft niet altijd als
eerste met de cliënt te werken. De psycholoog Abraham H. Maslow biedt
met zijn behoeftepiramide nog wel altijd een goede leidraad.
Als social workers oog hebben
voor de eenheid van de
mens, de onderlinge
relaties tussen lichaam en psyche, de verbintenis tussen de organen kan
dat de cliënt helpen. Voor problemen van cliënten zijn vaak geen directe
oorzaken te vinden.
Interactiepatronen tussen twee of meer personen en met een duurzame
relatie zijn te onderscheiden in 2 soorten:
- Symmetrische interactie: het gedrag van de een wordt gevolgd
door eenzelfde soort gedrag van de ander. De betrokkenen nemen
een soortgelijke positie in en wisselen soortgelijke boodschappen uit.
Wanneer de een verwijten maakt, maakt de ander verwijten terug.
Wanneer de een begint te schelden, scheld de ander terug. Het gaat
om macht die steeds verder escaleert totdat iemand het opgeeft.
Begeleiding: verwijten vervangen door verzoeken aan de ander.
- Complementaire interactie: tegengesteld gedrag dat bij elkaar
past. Interactie is gebaseerd op ongelijkheid. De een heeft een
leidende en de ander een volgzame rol. De verhoudingen worden
steeds extremer, waardoor er geen gelijkwaardigheid meer is in de
relatie.
Begeleiding: leren om de een (volgzame) meer te laten geven en de
ander (leidende) meer te laten nemen, zodat de relatie weer gelijk
wordt.
De social worker neemt in het begin een centrale positie in het
hulpverleningsproces in. Het gevaar hierbij is dat cliënten afhankelijk
worden van jou als hulpverlener. De plek van de hulpverlener verschuift
, gedurende de werkperiode van ‘boven’ naar ‘naast’ naar ‘buiten’ het
gezin.
Suprafamiliaire betreft bloedverwanten en partners: de ooms, tantes,
opa’s en oma’s.
De veranderde rol van de hulpverlening (van zelf de regie in handen
hebben naar vertrouwen hebben in het oplossingsvermogen van de
familie) vraagt om een andere houding.
Eigen kracht:
- De cliënt is eigenaar van zijn probleem;
- De cliënt is eigenaar van de conferentie en het plan;
- De cliënt houdt de regie over de uitvoering van het plan.
Om de familie in beeld te brengen wordt vaak gebruik gemaakt van een
genogram: grafische weergave van een aantal, meestal drie generaties,
van het gezin en de relaties hierbinnen.
Of van een eco- en sociogram. Deze worden ook gebruikt om de omgeving
in beeld te krijgen (wordt verder uitgelegd in een ander hoofdstuk).
De omgeving zijn: school, peergroupen, het werk, gezagsinstanties enz.
Integratie is in de omgeving een onderdeel. De integratie van een gezin in
zijn omgeving binnen de samenleving maakt onderdeel uit van de mate
van welbevinden van het gezin. Integratie is een wederzijds proces:
enerzijds wordt er van nieuwkomers verwacht dat zij bereid zijn te
integreren, anderzijds moet de Nederlandse samenleving die integratie
mogelijk maken.
2. Systeemtheorieën.
2.1 Inleiding.
We hebben 4 systeemtheorieën:
- De Algemene Systeemtheorie (Von Bertafanffy) wordt beschouwd
als de basis van het systeemtheoretisch denken. Hierin wordt het
historisch kader en de kern van zijn theorie beschreven. Hierna worden
vanuit 3 systeemtheoretische invalshoeken het historisch kader, de
kern van de therapie en de plek van de therapeut toegelicht.
- Dit is de structurele systeemtheorie (Minuchin en anderen).
Binnen deze theorie staat de wijze waarop het gezin is
georganiseerd centraal;
- Strategische of Communicatietheorie (Haley en Watzawick). Zij
benaderen de wetmatige communicatie tussen mensen;
- Contextuele systeemtheorie (Boszormenyi-Nagy). Hij zegt dat de
relaties tussen familieleden over verschillende generaties moeten
betrokken worden in de analyse en behandeling.
2.2.1 De algemene systeemtheorie.
2.2.2 Kern van de theorie.
In het begin van de theorievorming was het denken gericht op de input in
een systeem en output. Hierna kwam er aandacht troughput. De
informatie die van de omgeving komt, wordt niet enkel verwerkt binnen