Diagnostiek bij kinderen, jongeren en gezinnen
Bosman, Claes, Bijttebier, noens
H1 De empirische cylcus als formeel model van diagnostisch handelen
De empirische cyclus als basis van formele modellen van diagnostisch handelen
Het doorlopen van de stappen verkleint de kans dat conclusies te snel en foutief getrokken
worden.
Observatie: Eerst info verzamelen over de problemen en de probleemsituatie en de
sterkstes van de cliënt en het cliëntsysteem. Gespreks en observatievaardigheden
belangrijke rol. Ook essentiëel om oog te hebben op niet verbale informatie.
Inductie: Bij het formuleren van hypothesen is het essentieel om een goede
theoretische bagage te hebben over de factoren en de mechanismen die het menselijke
gedrag en de menselijke interacties bepalen.
Deductie: Zodra de hypothesen geformuleerd zijn, moeten deze getoets worden. Twee
zaken zijn hiervoor essentieel:
- het gebruiken van een adequate strategie om die te toetsen. Elk instrument heeft
zijn sterktes en zwaktes.
- het gebruiken van toetsingscriteria. Vast leggen wanneer hypthesen aanvaard of
verworpen zullen worden.
Toetsing: gespreks en observatievaardigheden spelen een belangrijke rol. Bewust zijn
dat de betrouwbaarheid en de validiteit van verschillende instrumenten ook
afhankelijk zijn van de manier waarop de instrumenten afgenomen worden.
Diagnosticus bewust zijn van het feit dat klinisch relevant gedrag van kinderen,
jongeren, maar ook van andere actoren uit het cliënt systeem.
Evaluatie: Nadat alle info verzameld is , kan de diagnosticus per hypothese kijken of
de informatie de hypothese bevestig of weerlegt. Diagnosticus moet zorgvuldig te
werk gaan om oordeelsfouten te vermijden. Als de diagnostische conclusies getrokken
zijn, dien deze nog gecommuniceerd te worden aan het cliëntsysteem.
Verschillen en gelijkenissen tussen verschillende bestaande formele modellen van
diagnostisch handelen.
Al die modellen zijn gebaseerd op de empirische cyclus. Desondanks zijn er toch
verschillen.
Bosman, Claes, Bijttebier, noens
H1 De empirische cylcus als formeel model van diagnostisch handelen
De empirische cyclus als basis van formele modellen van diagnostisch handelen
Het doorlopen van de stappen verkleint de kans dat conclusies te snel en foutief getrokken
worden.
Observatie: Eerst info verzamelen over de problemen en de probleemsituatie en de
sterkstes van de cliënt en het cliëntsysteem. Gespreks en observatievaardigheden
belangrijke rol. Ook essentiëel om oog te hebben op niet verbale informatie.
Inductie: Bij het formuleren van hypothesen is het essentieel om een goede
theoretische bagage te hebben over de factoren en de mechanismen die het menselijke
gedrag en de menselijke interacties bepalen.
Deductie: Zodra de hypothesen geformuleerd zijn, moeten deze getoets worden. Twee
zaken zijn hiervoor essentieel:
- het gebruiken van een adequate strategie om die te toetsen. Elk instrument heeft
zijn sterktes en zwaktes.
- het gebruiken van toetsingscriteria. Vast leggen wanneer hypthesen aanvaard of
verworpen zullen worden.
Toetsing: gespreks en observatievaardigheden spelen een belangrijke rol. Bewust zijn
dat de betrouwbaarheid en de validiteit van verschillende instrumenten ook
afhankelijk zijn van de manier waarop de instrumenten afgenomen worden.
Diagnosticus bewust zijn van het feit dat klinisch relevant gedrag van kinderen,
jongeren, maar ook van andere actoren uit het cliënt systeem.
Evaluatie: Nadat alle info verzameld is , kan de diagnosticus per hypothese kijken of
de informatie de hypothese bevestig of weerlegt. Diagnosticus moet zorgvuldig te
werk gaan om oordeelsfouten te vermijden. Als de diagnostische conclusies getrokken
zijn, dien deze nog gecommuniceerd te worden aan het cliëntsysteem.
Verschillen en gelijkenissen tussen verschillende bestaande formele modellen van
diagnostisch handelen.
Al die modellen zijn gebaseerd op de empirische cyclus. Desondanks zijn er toch
verschillen.