Samenvatting hoofdstuk 10
We zijn het meest intelligenst onder onze definities.
We weten en redeneren. We classifiseren en benoemen andere dieren. We proberen alles te
begrijpen inclusief ons zelf.
We vertellen elkaar wat we weten hierdoor wordt elke generatie slimmer.
Geheugen = alle informatie die we opslaan voor lange periodes of alleen vluchtig en alle
mechanismes die we hebben om die info te manipuleren
Reasoning= geheugen gebruiken in aanpassingsmanier
Voor toekomst = - begrijpen huidige situatie
- Problemen herkennen en oplossen
- Anticiperen op de toekomst
- Plannen maken die ons helpen voorbereiden en op bepaalde manieren toekomst
aanpassen voor onszelf
Voor het verleden = helpt ons begrijpen en mee omgaan voor het heden en de toekomst
Itelligentie = capaciteit voor redengeving
Snel denken = automatisch en onbewust
Analogisch redengeving = voor bepaalde overeenkomsten in gedrag, functies of relaties tussen
dingen of situaties die eigenlijk best verschillen van elkaar,
Analogieën zijn gebasseerd op vergelijkbare relaties alleen iemand moet deze wel begrijpen om het
op te lossen.
De millertest daarbij moet je de relatie tussen twee concepten zien en dan deze toepassen om een
nieuw paar te maken die op dezelfde manier gerelateerd zijn aan elkaar als de eerste.
Analogieën zijn makkelijk vanwege dat mensen voorbeelden gebruiken om dingen duidelijker te
maken zoals in canada bij het verdedigen van politieke standpunten gebruikte studenten hun eigen
financiele situatie als voorbeeld om hun standpunt uit te leggen
Inductief redeneren (of inductie)= de poging van afleiden van nieuwe principes en voorstellen van
observaties of feiten die als hints zijn > hypothese constructie: dit is omdat het afgeleide voorstel is
als een fok, niet een logische noodzaak
Redeneren door analogie is inductief omdat uit eerdere gebeurtenissen maak je een gok wat er
eigenlijk is gebeurd.
We zijn het meest intelligenst onder onze definities.
We weten en redeneren. We classifiseren en benoemen andere dieren. We proberen alles te
begrijpen inclusief ons zelf.
We vertellen elkaar wat we weten hierdoor wordt elke generatie slimmer.
Geheugen = alle informatie die we opslaan voor lange periodes of alleen vluchtig en alle
mechanismes die we hebben om die info te manipuleren
Reasoning= geheugen gebruiken in aanpassingsmanier
Voor toekomst = - begrijpen huidige situatie
- Problemen herkennen en oplossen
- Anticiperen op de toekomst
- Plannen maken die ons helpen voorbereiden en op bepaalde manieren toekomst
aanpassen voor onszelf
Voor het verleden = helpt ons begrijpen en mee omgaan voor het heden en de toekomst
Itelligentie = capaciteit voor redengeving
Snel denken = automatisch en onbewust
Analogisch redengeving = voor bepaalde overeenkomsten in gedrag, functies of relaties tussen
dingen of situaties die eigenlijk best verschillen van elkaar,
Analogieën zijn gebasseerd op vergelijkbare relaties alleen iemand moet deze wel begrijpen om het
op te lossen.
De millertest daarbij moet je de relatie tussen twee concepten zien en dan deze toepassen om een
nieuw paar te maken die op dezelfde manier gerelateerd zijn aan elkaar als de eerste.
Analogieën zijn makkelijk vanwege dat mensen voorbeelden gebruiken om dingen duidelijker te
maken zoals in canada bij het verdedigen van politieke standpunten gebruikte studenten hun eigen
financiele situatie als voorbeeld om hun standpunt uit te leggen
Inductief redeneren (of inductie)= de poging van afleiden van nieuwe principes en voorstellen van
observaties of feiten die als hints zijn > hypothese constructie: dit is omdat het afgeleide voorstel is
als een fok, niet een logische noodzaak
Redeneren door analogie is inductief omdat uit eerdere gebeurtenissen maak je een gok wat er
eigenlijk is gebeurd.