Toets Inleiding Risicomanagement 21/22 1e kans
20 MC vragen voor in totaal 40 punten.
Vraag 1:
Een voorbeeld van een dynamisch risico is:
a. Een inbraak door hackers op het netwerk van een bedrijf met veel schade tot gevolg.
b. De investering in een houtplantage in Brazilië.
c. Een olietanker die strandt op de kust van Bretagne en olie lekt.
d. Reputatieschade als gevolg van een datalek waarin klantgegevens op straat zijn komen te
liggen.
Vraag 2:
Een voorbeeld van statisch risico is:
a. Het verstrekken van microkredieten aan kleine zelfstandige ondernemers in Zuid-Afrika.
b. Het beleggen in staatsobligaties: vaak weinig rendement maar wel betrouwbaar.
c. 5 verpleegkundigen op een afdeling worden getroffen door Corona.
d. Een Staatslot kopen.
Vraag 3:
Wanneer wordt een risico een groot risico genoemd volgens de auteurs van het boek
‘Risicomanagement’?
a. Als er zowel financiële schade is als fysieke schade aan gebouwen.
b. Als er zowel interne als externe schade is die niet te verzekeren is.
c. Als het nemen van dit risico niet langer als acceptabel wordt beschouwd.
d. Als de schade groter is dan de dagwaarde van het object van risico.
Vraag 4:
Beoordeel de volgende stellingen.
Stelling 1: Een kassamedewerker die geld uit de kassa steelt is een voorbeeld van een intern
risico.
Stelling 2: Een productiemachine die slecht wordt onderhouden en daardoor regelmatig buiten
de opgegeven specificaties werkt is een voorbeeld van een dynamisch risico.
a. Stelling 1 en 2 zijn beide goed.
b. Stelling 1 en 2 zijn beide fout.
c. Stelling 1 is goed, stelling 2 is fout.
d. Stelling 1 is fout, stelling 2 is goed.
1
, Vraag 5:
Beoordeel de volgende stellingen.
Stelling 1: Imago- of reputatieschade is vervelend maar nooit een bedreiging voor de
continuïteit.
Stelling 2: Wanneer de regering van het land waar de grondstoffen vandaan komen besluit om
de exportheffingen flink te verhogen is dat een voorbeeld van een extern risico.
a. Stelling 1 en 2 zijn beide goed.
b. Stelling 1 en 2 zijn beide fout.
c. Stelling 1 is goed, stelling 2 is fout.
d. Stelling 1 is fout, stelling 2 is goed.
Vraag 6:
Beoordeel de volgende stellingen.
Stelling 1: Het risicomanagementbeleid omvat de uitgangspunten die een organisatie hanteert
voor risicomanagement en vormt daarmee de leidraad voor de organisatie voor het toepassen
ervan.
Stelling 2: De randvoorwaarden van het risicomanagementbeleid sluiten aan bij de
doelstellingen van de organisatie.
a. Stelling 1 is juist en stelling 2 is onjuist.
b. Stelling 1 is onjuist en stelling 2 is juist.
c. Stelling 1 en 2 zijn beide juist.
d. Stelling 1 en 2 zijn beide onjuist.
Vraag 7:
Een boorplatform op zee wordt nogal eens nat door regen of golven. Ondanks verschillende
maatregelen kan het toch gebeuren dat een medewerker op het boorplatform uitglijdt en zich
bezeert of (nog erger) overboord valt. In welke categorie kan dit risico het beste worden
ingedeeld?
a. Continuïteit.
b. Milieu.
c. Onroerend goed.
d. Personeel.
2
20 MC vragen voor in totaal 40 punten.
Vraag 1:
Een voorbeeld van een dynamisch risico is:
a. Een inbraak door hackers op het netwerk van een bedrijf met veel schade tot gevolg.
b. De investering in een houtplantage in Brazilië.
c. Een olietanker die strandt op de kust van Bretagne en olie lekt.
d. Reputatieschade als gevolg van een datalek waarin klantgegevens op straat zijn komen te
liggen.
Vraag 2:
Een voorbeeld van statisch risico is:
a. Het verstrekken van microkredieten aan kleine zelfstandige ondernemers in Zuid-Afrika.
b. Het beleggen in staatsobligaties: vaak weinig rendement maar wel betrouwbaar.
c. 5 verpleegkundigen op een afdeling worden getroffen door Corona.
d. Een Staatslot kopen.
Vraag 3:
Wanneer wordt een risico een groot risico genoemd volgens de auteurs van het boek
‘Risicomanagement’?
a. Als er zowel financiële schade is als fysieke schade aan gebouwen.
b. Als er zowel interne als externe schade is die niet te verzekeren is.
c. Als het nemen van dit risico niet langer als acceptabel wordt beschouwd.
d. Als de schade groter is dan de dagwaarde van het object van risico.
Vraag 4:
Beoordeel de volgende stellingen.
Stelling 1: Een kassamedewerker die geld uit de kassa steelt is een voorbeeld van een intern
risico.
Stelling 2: Een productiemachine die slecht wordt onderhouden en daardoor regelmatig buiten
de opgegeven specificaties werkt is een voorbeeld van een dynamisch risico.
a. Stelling 1 en 2 zijn beide goed.
b. Stelling 1 en 2 zijn beide fout.
c. Stelling 1 is goed, stelling 2 is fout.
d. Stelling 1 is fout, stelling 2 is goed.
1
, Vraag 5:
Beoordeel de volgende stellingen.
Stelling 1: Imago- of reputatieschade is vervelend maar nooit een bedreiging voor de
continuïteit.
Stelling 2: Wanneer de regering van het land waar de grondstoffen vandaan komen besluit om
de exportheffingen flink te verhogen is dat een voorbeeld van een extern risico.
a. Stelling 1 en 2 zijn beide goed.
b. Stelling 1 en 2 zijn beide fout.
c. Stelling 1 is goed, stelling 2 is fout.
d. Stelling 1 is fout, stelling 2 is goed.
Vraag 6:
Beoordeel de volgende stellingen.
Stelling 1: Het risicomanagementbeleid omvat de uitgangspunten die een organisatie hanteert
voor risicomanagement en vormt daarmee de leidraad voor de organisatie voor het toepassen
ervan.
Stelling 2: De randvoorwaarden van het risicomanagementbeleid sluiten aan bij de
doelstellingen van de organisatie.
a. Stelling 1 is juist en stelling 2 is onjuist.
b. Stelling 1 is onjuist en stelling 2 is juist.
c. Stelling 1 en 2 zijn beide juist.
d. Stelling 1 en 2 zijn beide onjuist.
Vraag 7:
Een boorplatform op zee wordt nogal eens nat door regen of golven. Ondanks verschillende
maatregelen kan het toch gebeuren dat een medewerker op het boorplatform uitglijdt en zich
bezeert of (nog erger) overboord valt. In welke categorie kan dit risico het beste worden
ingedeeld?
a. Continuïteit.
b. Milieu.
c. Onroerend goed.
d. Personeel.
2