Beroep op onderzoek
H1 t/m H8.5 inclusief begrippenlijsten
Hoofdstuk 1 – Beginnen aan onderzoek
1.1.1 Het begrip ‘onderzoek’
Definitie: Onderzoek is de doelgerichte activiteit om voor het helpen oplossen van een onderkend
probleem kennis op te doen die nieuw is.
• Kennis => Onderzoek is altijd erop gericht om iets te weten te komen en levert dus kennis over,
inzicht in of begrip van werkelijkheid op.
• Die nieuw is => Onderzoek levert in principe kennis op die voor het onderzoek plaatsvindt nog
niet bestaat.
• Voor het helpen oplossen van een onderkend probleem => Onderzoek moet een of ander nut
hebben en heeft dus pas zin als daarmee iets kan worden opgelost. Er ligt dus altijd een
‘probleem’ ten grondslag aan onderzoek.
• Activiteit => Onderzoek veronderstelt dat je iets onderneemt. In het verlengde daarvan ligt dat
je er een plan voor maakt dat je min of meer systematisch uitvoert.
• Doelgericht => De activiteit is er dan wel op gericht die kennis op te doen die relevant is voor de
oplossing van het probleem.
1.1.2 Praktijkgericht onderzoek
Er is onderzoek dat in de eerste plaats ten dienste staat van de ontwikkeling van de wetenschap.
Fundamenteel onderzoek: zuiver wetenschappelijk of fundamenteel onderzoek heeft tot doel de
theorie verder te helpen.
Praktijkgericht onderzoek: bij dit type onderzoek staat de verbetering van de praktijk of van het
oplossen van problemen daarin voorop.
Praktische relevantie: praktijkgericht onderzoek gaat om onderzoek dat praktisch relevant is, omdat
iemand een beslissing neemt of wil nemen op basis van de onderzoeksresultaten.
Bijvoorbeeld: door het koopgedrag van jongeren te onderzoeken, kunnen onderbouwde keuzes gemaakt
worden voor de marketingsstrategie.
Wetenschappelijk verantwoord onderzoek: Het boek beoogt inzicht te verschaffen in onderzoek dat
langs wetenschappelijk verantwoorde weg wordt uitgevoerd. Dat houdt onder meer in dat aan een
aantal eisen moet worden voldaan. Die eisen zijn:
• De onderzoeker stelt zich objectief op en staat dus open voor elke uitkomst.
o Objectiviteit: tot ware uitspraken komen. Daarom moet een onderzoeker zo veel
mogelijk afzien van zijn eigen meningen, oordelen, vooroordelen, wensen en
overtuigingen.
• De werkwijze en de resultaten moeten door anderen gecontroleerd kunnen worden.
o Controleerbaarheid: met de manier waarop alles verloopt en de uitkomsten die je vindt,
wordt voldaan aan de controleerbaarheid. Controleerbaarheid is belangrijk doordat met
onderzoek geld, status, erkenning en macht gemoeid kunnen zijn. Hierdoor publiceren
onderzoekers halve waarheden, houden relevante bijzonderheden achter of zuigen zelfs
gegevens uit de duim.
, • Het onderzoek en de resultaten zijn herhaalbaar.
o Herhaalbaarheid: de eis van herhaalbaarheid ligt in het verlengde van de eis van
controleerbaarheid. Een onderzoek is zo opgezet dat anderen het in principe kunnen
overdoen, en daarmee kunnen nagaan of de resultaten gelijk zijn. in dat geval zijn de
resultaten reproduceerbaar.
• Er wordt systematisch gewerkt.
o Systematiek: onderzoekers doen niet nu weer eens dit, dan weer eens dat. Zij proberen
consequent te zijn en steeds oog te houden voor de onderlinge samenhang binnen
datgene waar ze mee bezig zijn.
1.1.3 Onderzoeksresultaten met een toevalskarakter
De methodologie levert de regels en technieken om onderzoek wetenschappelijk verantwoord uit te
voeren. Bovendien verschaft de methodologie een begrippenkader dat eraan bijdraagt dat degenen die
zich met onderzoek bezighouden min of meer dezelfde taal spreken. En dat verhoogt weer de
controleerbaarheid van de resultaten.
Voor de bestudering van mensen zijn we vaak aangewezen op wat uiterlijk waarneembaar is, het
gedrag. Gedrag is het gevolg van complexe processen, van een ingewikkelde en toevallige samenloop
van voorwaarden en omstandigheden. Voor de wetenschap is het gedrag van elk mens afzonderlijk
onvoorspelbaar. Hij gedraagt zich niet volgens voor ieder, altijd en overal geldende regelmatigheden.
Probalistische uitspraken: uitspraken waarin kans en toeval een rol spelen (probability =
waarschijnlijkheid). Je komt in de resultaten van dit soort onderzoek termen tegen als ‘gemiddeld’,
‘meer’, ‘minder’, ‘zoveel kans op’, ‘slechter’, ‘vaker’, ‘meestal’ en ‘zoveel procent’.
1.1.4 Kwalitatief en kwantitatief onderzoek
Kwalitatief onderzoek: is vooral gericht op het achterhalen van de aard en de betekenis van
verschijnselen, waarbij de onderzoeker probeert om het perspectief van de onderzochte personen en de
context waarin die zich bevindt zich zo goed mogelijk voor te stellen. De onderzoeker probeert als het
ware in de huid van de onderzochte personen te kruipen.
• Interpreterend: de nadruk ligt op zaken als (subjectieve) ervaring van de onderzochte personen,
zingeving, betekenis en historie.
• Open interviews: een kwalitatief onderzoeker maakt veelal gebruik van diepgaande open
interviews die hij met psychologische kennis afneemt aan een gering aantal personen. Je kunt
dus ook wel van kwalitatief onderzoek stellen dat de onderzoeker zelf het belangrijkste
meetinstrument is.
o Voorbeeld: een dergelijke werkwijze wordt in marktonderzoek toegepast wanneer een
onderzoeker nauwkeurig wil weten hoe consumenten diep in hun hart tegen bepaalde
banken aankijken, wat hun werkelijke motief is om kleding van een bepaald merk te
kopen of in hoeverre ze hun gezondheid nu echt belangrijk vinden.
Kwantitatief onderzoek: deze vorm van onderzoek houdt zich bezig met vragen als: hoeveel, hoe vaak,
hoe is het gemiddeld, wie het meest...? Kwantitatief onderzoek richt zich op het vergaren, verwerken en
interpreteren van allerhande in cijfers uitgedrukte metingen bij veel onderzoeksobjecten.
,Bijvoorbeeld: als je wil weten hoeveel mannen wel eens naar een café gaan, in welke mate ouderen in de
loop van de jaren longvolume verliezen en in hoeverre het gebruik van energiedrank het
uithoudingsvermogen van sporters beïnvloedt.
In tegenstelling tot kwalitatief onderzoek heeft de specifieke situatie van de onderzochte personen bij
kwantitatief onderzoek nauwelijks invloed op de manier waarop de te verkrijgen gegevens weergegeven
worden. Het resultaat van kwantitatief onderzoek bestaat bijna altijd uit de cijfermatige samenvatting
van metingen, zoals gemiddelden, percentages, tabellen, grafieken en dergelijke.
1.2 Onterecht beroep op onderzoek
Praktisch relevant onderzoek levert informatie op die helpt verantwoorde beslissingen te nemen. Dat
veronderstelt dat een beslissing oon daadwerkelijk door de resultaten van dat onderzoek beinvloed
moet kunnen worden. Zowel opdrachtgevers als onderzoekers hebben, bewust of onbewust, soms hun
eigen motieven. Die motieven kunnen passend zijn en dan is er niets aan de hand. Soms zijn er echter
ook oneigenlijke motieven voor onderzoek in het spel: het uitstellen van een moeilijke beslissing, het
eigen gelijk willen bevestigen, ondersteunen van een toch al genomen beslissing, hopen op een wonder,
geld kunnen krijgen of het op willen maken, status verhogen, pappen en nathouden &
verantwoordelijkheid ontlopen of maskeren.
1.3 De probleemstelling van een onderzoek
Onderzoek leidt tot een conclusie, die een antwoord inhoudt op een vraag. Die onderzoeksvraag wordt
meestal de probleemstelling van het onderzoek genoemd.
De gebruikte termen specificeren
• Een probleemstelling is concreet, scherp en ondubbelzinnig geformuleerd. Er moet precies bij
aangegeven worden wat alle begrippen en termen inhouden, om wie of wat het gaat en welke
omstandigheden het betreft.
• Daarnaast is het van belang om de te vergelijken aspecten te specificeren, beslissingscriteria te
specificeren, niet naar oordelen en voorschriften te vragen, ‘waarom’- en ‘waardoor’-vragen
proberen te vermijden, deelvragen te formuleren waar nodig en de probleemstelling en
doelstelling te onderscheiden.
o De doelstelling heeft te maken met het waarom, de probleemstelling met het wat van
het onderzoek. Bij de doelstelling gaat het dus om wat je wilt bereiken, bij de
probleemstelling om wat je daarvoor moet weten.
1.4 Het onderzoeksproces
Het onderzoeksproces bestaat uit acht verschillende fasen.
Fase 1: Oriënteren: verhelderen van de achtergrond en de doelstelling
Een onderzoeker oriënteert zich allereerst op het probleem dat om een oplossing vraagt. Vragen die de
onderzoeker in deze fase zoal stelt zijn: Wat is het probleem precies? Wie heeft het probleem? Wie zijn
de belanghebbenden? Wanneer is het een probleem en waar doet het zich voor? Waarom is het een
probleem? Hoe is het probleem ontstaan? De onderzoeker wil natuurlijk ook een indruk krijgen van de
kennis die nodig is om het probleem te helpen oplossen. Voor deze oriëntatie zal hij veel praten met
betrokkenen, collega’s en deskundigen.
, Fase 2: Formuleren van de probleemstelling
Heeft de onderzoeker zich voldoende georiënteerd, dan is het tijd haarscherp onder woorden te
brengen wat hij door zijn onderzoek te weten wil komen.
Fase 3: Ontwikkelen van de onderzoeksopzet
In de volgende fase bedankt de onderzoeker een plan om een antwoord te krijgen op zijn vraag.
Methodologen hechten er veel waarde aan dat de gang van zaken tijdens het onderzoek zo veel
mogelijk vooraf is bedacht, gepland en voorzien om te voorkomen fouten en onvoorziene
omstandigheden het onderzoek verzieken.
Fase 4: Verwerven van gegevens
Als de onderzoeksopzet is vastgesteld volgt een periode waarin de onderzoeker gegevens ofwel data
verzamelt. Dat is de fase van het verwerven van gegevens.
Fase 5: Verwerken van gegevens
Als een onderzoeker de nodige gegevens binnen heeft, moet hij ze zodanig overzichtelijk samenvatten
en rangschikken dat hij er conclusies uit kan trekken. in deze fase gaat het om het verwerken van
gegevens.
Fase 6: Interpreteren van gegevens; conclusies trekken
Als een onderzoeker zijn gegevens overzichtelijk in kaart heeft gebracht, wil hij weten wat ze hem nu
‘zeggen’. Hij probeert de gegevens te interpreteren en er conclusies uit te trekken.
Fase 7: Evaluatie en terugkoppeling naar het probleem
Als de conclusies zijn getrokken, vraagt de onderzoeker zich af of hij werkelijk te weten is gekomen wat
hij voor ogen had. Hierbij kan de onderzoeker zijn probleemstelling opnieuw formuleren of een andere
onderzoeksopzet bedenken.
Fase 8: Rapporteren
Onderzoekers rapporteren hun ervaringen doorgaans aan collega’s, hun opdrachtgever of aan andere
geïnteresseerden. De opbouw van een presentatie of een schriftelijk verslag is geen specifiek
methodologisch onderwerp. Rapportage is echter erg belangrijk.
Het onderzoeksproces in de praktijk
Een bevredigend resultaat leidt vaak weer tot nieuwe vragen, die op hun beurt weer onderzoek vergen.
Fase 8 wordt dan gevolgd door fase 1 van een vervolgonderzoek. Dit wordt ook wel de
onderzoekscyclus genoemd.
1.5 De probleemstelling in de verslaglegging
De probleemstelling is als uitgangspunt van het onderzoek zeer belangrijk en wordt dan ook uitgebreid
behandeld. Dat gebeurt in de inleiding. De inleiding begint meestal met de aanleiding van het onderzoek
en de doelstelling ervan. Het praktisch belang ervan wordt geschetst. Daarna wordt het onderwerp in
een (theoretisch) kader geplaatst: Wat is er al bekend? Uit dit alles rolt bij wijze van spreken ‘vanzelf’ de
probleemstelling. De termen uit de probleemstelling worden vervolgens zo nauwkeurig mogelijk
omschreven.