CHAPTER 1
1. Wat zijn de drie fundamentele ideeën van de psychologie?
a) Gedachten, emoties, ervaringen
b) Fysieke oorzaken, gedragsverandering, genetica
c) Zintuiglijke ervaringen, geestelijke gezondheid, leren
d) Dualisme, bewustzijn, emoties
2. Welk filosofisch concept houdt in dat bewuste gedachten een product zijn van de
hersenen en onderhevig zijn aan natuurwetten?
a) Dualisme
b) Empirisme
c) Materialisme
d) Nativisme
3. Wat is de belangrijkste bijdrage van Charles Darwin aan de psychologie?
a) De wet van associatie door contiguïteit
b) Het concept van nativisme
c) Het idee van de tabula rasa
d) Het concept van evolutie door natuurlijke selectie
4. Welk analytisch niveau houdt zich bezig met het verklaren van gedrag in termen van
leren?
a) Neuraal
b) Fysiologisch
c) Cognitief
d) Leren
5. Wat houdt de wet van associatie door contiguïteit in?
a) Het verband tussen fysiologie en gedrag
b) Het verband tussen cultuur en gedrag
c) Het verband tussen genetica en gedrag
d) Het verband tussen twee gelijktijdige of opeenvolgende gebeurtenissen in de geest
6. Welke discipline binnen de psychologie houdt zich bezig met hoe ons gedrag wordt
beïnvloed door andere mensen en door onze overtuigingen over andere mensen?
a) Neuraal
b) Fysiologisch
c) Sociaal
d) Cognitief
7. Welke academische velden is psychologie vooral via biologie mee verbonden?
a) Natuurwetenschappen
b) Sociale wetenschappen
c) Geesteswetenschappen
d) Scheikunde
,8. Welke verklaring stelt dat bewuste gedachten een product zijn van het zenuwstelsel en
onderhevig zijn aan natuurwetten?
a) Neurale verklaring
b) Fysiologische verklaring
c) Genetische verklaring
d) Evolutionaire verklaring
9. Wat wordt bedoeld met het begrip "tabula rasa"?
a) De oorsprong van de menselijke geest
b) De aangeboren aard van gedrag
c) De invloed van genetica op gedrag
d) Een blanco pagina waarop ervaringen invloed hebben
10. Welke verklaring legt zich vooral toe op het verklaren van gedrag en mentale ervaringen
op basis van culturele theorieën?
a) Neuraal
b) Fysiologisch
c) Sociaal
d) Cultureel
,antwoorden:
1. b
2. c
3. d
4. d
5. d
6. c
7. a
8. b
9. d
10. d
, CHAPTER 2
1. Wat is een observatie in de context van psychologisch onderzoek?
a) Een hypothese over een nieuwe waarneming.
b) Een objectieve uitspraak waar waarnemers het over eens zijn.
c) Een voorspelling over nieuwe waarnemingen.
d) Een conceptueel model om bestaande waarnemingen te verklaren.
2. Wat wordt bedoeld met "Occam's razor"?
a) Een methode om gegevens te verzamelen.
b) Het idee dat de uitleg zo complex mogelijk moet zijn.
c) Het idee dat de eenvoudigste uitleg de voorkeur verdient.
d) Een statistische techniek voor onderzoek.
3. Wat is een basistype van onderzoeksontwerp in de psychologie?
a) Experimenten.
b) Observatie.
c) Correlationele studies.
d) Introspectie.
4. Wat is de belangrijkste reden om inferentiële statistiek te gebruiken?
a) Om beschrijvende statistieken te berekenen.
b) Om de gegevens samen te vatten.
c) Om te bepalen of waargenomen patronen het resultaat zijn van toeval.
d) Om de relatie tussen variabelen te meten.
5. Wat betekent een negatieve correlatie tussen twee variabelen?
a) Beide variabelen stijgen samen.
b) Een variabele stijgt terwijl de andere daalt.
c) Er is geen verband tussen de variabelen.
d) Beide variabelen zijn constant.
6. Wat is het doel van een dubbelblind experiment?
a) Om de deelnemers blind te houden.
b) Om de onderzoeker blind te houden.
c) Om beide groepen deelnemers blind te houden.
d) Om zowel de onderzoeker als de deelnemers blind te houden voor de behandeling.
7. Wat is het belangrijkste aspect van betrouwbaarheid in metingen?
a) Het vermijden van verwachtingseffecten.
b) Het gebruik van operationele definities.
c) Het consistent opleveren van dezelfde resultaten.
d) Het vermijden van vertekende steekproeven.
1. Wat zijn de drie fundamentele ideeën van de psychologie?
a) Gedachten, emoties, ervaringen
b) Fysieke oorzaken, gedragsverandering, genetica
c) Zintuiglijke ervaringen, geestelijke gezondheid, leren
d) Dualisme, bewustzijn, emoties
2. Welk filosofisch concept houdt in dat bewuste gedachten een product zijn van de
hersenen en onderhevig zijn aan natuurwetten?
a) Dualisme
b) Empirisme
c) Materialisme
d) Nativisme
3. Wat is de belangrijkste bijdrage van Charles Darwin aan de psychologie?
a) De wet van associatie door contiguïteit
b) Het concept van nativisme
c) Het idee van de tabula rasa
d) Het concept van evolutie door natuurlijke selectie
4. Welk analytisch niveau houdt zich bezig met het verklaren van gedrag in termen van
leren?
a) Neuraal
b) Fysiologisch
c) Cognitief
d) Leren
5. Wat houdt de wet van associatie door contiguïteit in?
a) Het verband tussen fysiologie en gedrag
b) Het verband tussen cultuur en gedrag
c) Het verband tussen genetica en gedrag
d) Het verband tussen twee gelijktijdige of opeenvolgende gebeurtenissen in de geest
6. Welke discipline binnen de psychologie houdt zich bezig met hoe ons gedrag wordt
beïnvloed door andere mensen en door onze overtuigingen over andere mensen?
a) Neuraal
b) Fysiologisch
c) Sociaal
d) Cognitief
7. Welke academische velden is psychologie vooral via biologie mee verbonden?
a) Natuurwetenschappen
b) Sociale wetenschappen
c) Geesteswetenschappen
d) Scheikunde
,8. Welke verklaring stelt dat bewuste gedachten een product zijn van het zenuwstelsel en
onderhevig zijn aan natuurwetten?
a) Neurale verklaring
b) Fysiologische verklaring
c) Genetische verklaring
d) Evolutionaire verklaring
9. Wat wordt bedoeld met het begrip "tabula rasa"?
a) De oorsprong van de menselijke geest
b) De aangeboren aard van gedrag
c) De invloed van genetica op gedrag
d) Een blanco pagina waarop ervaringen invloed hebben
10. Welke verklaring legt zich vooral toe op het verklaren van gedrag en mentale ervaringen
op basis van culturele theorieën?
a) Neuraal
b) Fysiologisch
c) Sociaal
d) Cultureel
,antwoorden:
1. b
2. c
3. d
4. d
5. d
6. c
7. a
8. b
9. d
10. d
, CHAPTER 2
1. Wat is een observatie in de context van psychologisch onderzoek?
a) Een hypothese over een nieuwe waarneming.
b) Een objectieve uitspraak waar waarnemers het over eens zijn.
c) Een voorspelling over nieuwe waarnemingen.
d) Een conceptueel model om bestaande waarnemingen te verklaren.
2. Wat wordt bedoeld met "Occam's razor"?
a) Een methode om gegevens te verzamelen.
b) Het idee dat de uitleg zo complex mogelijk moet zijn.
c) Het idee dat de eenvoudigste uitleg de voorkeur verdient.
d) Een statistische techniek voor onderzoek.
3. Wat is een basistype van onderzoeksontwerp in de psychologie?
a) Experimenten.
b) Observatie.
c) Correlationele studies.
d) Introspectie.
4. Wat is de belangrijkste reden om inferentiële statistiek te gebruiken?
a) Om beschrijvende statistieken te berekenen.
b) Om de gegevens samen te vatten.
c) Om te bepalen of waargenomen patronen het resultaat zijn van toeval.
d) Om de relatie tussen variabelen te meten.
5. Wat betekent een negatieve correlatie tussen twee variabelen?
a) Beide variabelen stijgen samen.
b) Een variabele stijgt terwijl de andere daalt.
c) Er is geen verband tussen de variabelen.
d) Beide variabelen zijn constant.
6. Wat is het doel van een dubbelblind experiment?
a) Om de deelnemers blind te houden.
b) Om de onderzoeker blind te houden.
c) Om beide groepen deelnemers blind te houden.
d) Om zowel de onderzoeker als de deelnemers blind te houden voor de behandeling.
7. Wat is het belangrijkste aspect van betrouwbaarheid in metingen?
a) Het vermijden van verwachtingseffecten.
b) Het gebruik van operationele definities.
c) Het consistent opleveren van dezelfde resultaten.
d) Het vermijden van vertekende steekproeven.