H19 aantekeningen
§1
Uitgaven Wegingsfactoren Prijsverandering Prijsindex
- Voeding 10% +5% 105
- Kleding 20% -2,5% 97,5
- Auto 30% +4% 104
- Wonen 30% -2% 98
- Overige 10% +0% 100
Totaal 100% 0,6 100,6
0,1 x 105 + 0,2 x 97,5 + 0,3 x 104 + 0,3 x 98 + 0,1 x 100 + 0,6%
§2
Gevolgen inflatie →
1. Geldontwaarding → koopkracht van de euro daalt → reële waarde van de euro daalt
Vb.
Inflatie 5%
Vraag: geldontwaarding
Index nominale/ index inflatie x 100 = 100/105 x 100 = 95,2 → 4,8% gedaald
2. Reële inkomensstijging kleiner dan nominale inkomensstijging
Vb1.
Nominaal inkomen stijgt 5%
Inflatie 3%
105/103 x 100 = 101,94 → 1,94% stijgt
Vb2.
Inflatie 10%
Vraag: hoeveel procent moet inkomen stijgen zodat koopkracht 7,5% stijgt?
X/110 x 100 = 107,5
X = 107,5 x 110/100 = 118,25 → 18,25%
3. Loon-prijsspiraal
Inflatie → koopkracht arbeider daalt → vraag loon stijgt → prijs stijgt
(prijscompensatie) zodat koopkracht gelijk blijft → kosten voor bedrijf stijgt → Zie
begin
→ prijzen stijgen ten opzichte van buitenland → export daalt → import stijgt → vraag
Nederland goederen daalt → productie daalt → productie daalt → werkgelegenheid
daalt → werkeloosheid stijgt
4. Reële rente lager dan nominale rente
Vb1.
Spaarrente 1%
Inflatie 2%
Reële rente = 101/102 x 100 = 99,02 → 0,98%
Vb2.
Leenrente 6%
Inflatie 2%
Reële rente = 106/102 x 100 = 103,9 → 3,9%
Sparen loont weinig → sparen daalt
Lenen is goedkoop → lenen stijgt
§1
Uitgaven Wegingsfactoren Prijsverandering Prijsindex
- Voeding 10% +5% 105
- Kleding 20% -2,5% 97,5
- Auto 30% +4% 104
- Wonen 30% -2% 98
- Overige 10% +0% 100
Totaal 100% 0,6 100,6
0,1 x 105 + 0,2 x 97,5 + 0,3 x 104 + 0,3 x 98 + 0,1 x 100 + 0,6%
§2
Gevolgen inflatie →
1. Geldontwaarding → koopkracht van de euro daalt → reële waarde van de euro daalt
Vb.
Inflatie 5%
Vraag: geldontwaarding
Index nominale/ index inflatie x 100 = 100/105 x 100 = 95,2 → 4,8% gedaald
2. Reële inkomensstijging kleiner dan nominale inkomensstijging
Vb1.
Nominaal inkomen stijgt 5%
Inflatie 3%
105/103 x 100 = 101,94 → 1,94% stijgt
Vb2.
Inflatie 10%
Vraag: hoeveel procent moet inkomen stijgen zodat koopkracht 7,5% stijgt?
X/110 x 100 = 107,5
X = 107,5 x 110/100 = 118,25 → 18,25%
3. Loon-prijsspiraal
Inflatie → koopkracht arbeider daalt → vraag loon stijgt → prijs stijgt
(prijscompensatie) zodat koopkracht gelijk blijft → kosten voor bedrijf stijgt → Zie
begin
→ prijzen stijgen ten opzichte van buitenland → export daalt → import stijgt → vraag
Nederland goederen daalt → productie daalt → productie daalt → werkgelegenheid
daalt → werkeloosheid stijgt
4. Reële rente lager dan nominale rente
Vb1.
Spaarrente 1%
Inflatie 2%
Reële rente = 101/102 x 100 = 99,02 → 0,98%
Vb2.
Leenrente 6%
Inflatie 2%
Reële rente = 106/102 x 100 = 103,9 → 3,9%
Sparen loont weinig → sparen daalt
Lenen is goedkoop → lenen stijgt