H13 aantekeningen
§1
Goederen →
- Individuele
- Collectieve
- Semi-collectieve (quasi)
Individuele goederen → splitsbaar in eenheden → prijs per stuk mogelijk → particulier
bedrijf kan dit leveren
Collectieve goederen → niet splitsbaar in eenheden → geen prijs per stuk → particulier
bedrijf kan dit niet leveren → overheid levert het → alle burgers moeten er belasting voor
betalen = collectieve dwang
Quasi-collectieve goederen → splitsbaar in eenheden → prijs per stuk mogelijk → particulier
kan het leveren, maar de overheid levert het
Externe effecten → gevolgen van productie of consumptie die niet in de prijs van het product
zijn verwerkt
Negatieve externe effecten → welvaart daalt (behoefte voorziening) → maatschappelijke
kosten (extra belasting betalen zodat overheid de rotzooi kan opruimen)
Positieve externe effecten → welvaart stijgt → maatschappelijke opbrengst
Collectivisatie → overheid producent → geen winst streven
Privatisering → particulier bedrijf is producent → winst strevend
- Prijs stijgt, doordat het bedrijf winst wil maken → verkoopprijs groter dan kostprijs
- Prijs daalt (1.), doordat het bedrijf naar winst streeft probeert zij de kosten laag te
houden → kosten laag → prijs kan dalen → prijs daalt (2.), door concurrentie
Wie beslist over de productie in een land →
1. Marktmechanisatie (vraag en aanbod) → vrager beslist want als vraag stijgt/daalt →
prijs stijgt/daalt → productie stijgt/daalt → aanbod stijgt/daalt
Burger heeft elke keer als hij koopt invloed op de productie
2. Budget mechanisme → overheid bepaalt productie aan de hand van een budget
- Democratisch → burgers invloed via verkiezingen (1x in de 4 jaar)
- Bureaucratisch →burgers geen invloed
(planmechanisme)
, H13 aantekeningen
§2
Overheid vind de prijs te laag voor producenten → minimum prijs ter bescherming van de
producent
Qv = -4p + 200 Stel minimumprijs = €45,-
Qa = 2p – 40 Qv = 20
Qa = Qv Qa = 50
-4p + 200 = 2p – 40 Overschot van 30
-6 = 240
p = 40
2 x 40 – 40 = 40 = q
p
Aanbod
50
45 Min prijs
40
20
Overschot Vraag
0 50 200 q
Overheid koopt overschot op → kosten voor de overheid zijn → 30 x 45 = €1350,-
p 50 Aanbod
40
30
Max prijs
20
Tekort Vraag
0 50 200 q
§1
Goederen →
- Individuele
- Collectieve
- Semi-collectieve (quasi)
Individuele goederen → splitsbaar in eenheden → prijs per stuk mogelijk → particulier
bedrijf kan dit leveren
Collectieve goederen → niet splitsbaar in eenheden → geen prijs per stuk → particulier
bedrijf kan dit niet leveren → overheid levert het → alle burgers moeten er belasting voor
betalen = collectieve dwang
Quasi-collectieve goederen → splitsbaar in eenheden → prijs per stuk mogelijk → particulier
kan het leveren, maar de overheid levert het
Externe effecten → gevolgen van productie of consumptie die niet in de prijs van het product
zijn verwerkt
Negatieve externe effecten → welvaart daalt (behoefte voorziening) → maatschappelijke
kosten (extra belasting betalen zodat overheid de rotzooi kan opruimen)
Positieve externe effecten → welvaart stijgt → maatschappelijke opbrengst
Collectivisatie → overheid producent → geen winst streven
Privatisering → particulier bedrijf is producent → winst strevend
- Prijs stijgt, doordat het bedrijf winst wil maken → verkoopprijs groter dan kostprijs
- Prijs daalt (1.), doordat het bedrijf naar winst streeft probeert zij de kosten laag te
houden → kosten laag → prijs kan dalen → prijs daalt (2.), door concurrentie
Wie beslist over de productie in een land →
1. Marktmechanisatie (vraag en aanbod) → vrager beslist want als vraag stijgt/daalt →
prijs stijgt/daalt → productie stijgt/daalt → aanbod stijgt/daalt
Burger heeft elke keer als hij koopt invloed op de productie
2. Budget mechanisme → overheid bepaalt productie aan de hand van een budget
- Democratisch → burgers invloed via verkiezingen (1x in de 4 jaar)
- Bureaucratisch →burgers geen invloed
(planmechanisme)
, H13 aantekeningen
§2
Overheid vind de prijs te laag voor producenten → minimum prijs ter bescherming van de
producent
Qv = -4p + 200 Stel minimumprijs = €45,-
Qa = 2p – 40 Qv = 20
Qa = Qv Qa = 50
-4p + 200 = 2p – 40 Overschot van 30
-6 = 240
p = 40
2 x 40 – 40 = 40 = q
p
Aanbod
50
45 Min prijs
40
20
Overschot Vraag
0 50 200 q
Overheid koopt overschot op → kosten voor de overheid zijn → 30 x 45 = €1350,-
p 50 Aanbod
40
30
Max prijs
20
Tekort Vraag
0 50 200 q