Boek H8 KN: Geheugen
Eerste aspect op grond waarvan geheugen op te delen is: tijd:
- Sensorisch geheugen: alles wat we waarnemen blijft daar een sec hangen.
- Werkgeheugen, ook wel kortetermijngeheugen: kleine hoeveelheid info blijft actief
gedurende een beperkte tijd, zolang er aandacht aan besteed wordt. Ongeveer 7
letters/cijfers onthouden, hangt af van herhaling.
- Langetermijngeheugen: bevat alle info die opgeslagen is maar op dit moment niet actief is in
het werkgeheugen.
Tweede aspect op grond waarvan geheugen op te delen is: soort info en de manier waarop het
onthouden getest wordt:
- Declaratief geheugen: bestaat uit alle herinneringen die bewust kunnen worden opgeroepen
en geverbaliseerd: het weten wat er gebeurd is. (wordt meestal expliciet getest) Ook wel
expliciet geheugen: patiënten wordt gevraagd een herinnering uit het geheugen op te halen.
o Episodische geheugen voor gebeurtenissen: ‘wat gebeurde er vorige week zondag?’
o Semantische geheugen voor feiten: ‘wat is de hoofdstad van Frankrijk?’
- Niet-declaratief geheugen: bestaat uit herinneringen die niet geverbaliseerd kunnen worden,
maar wel gedrag beïnvloeden: weten hoe we iets moeten doen. (wordt meestal impliciet
getest) Ook wel impliciet geheugen: patiënten wordt gevraagd iets te doen en de herinnering
blijkt uit de prestatie.
Het onderscheid declaratief/ niet-declaratief geheugen is van toepassing op langetermijngeheugen,
niet op werkgeheugen.
Baddeley onderscheidt 3 buffers in het werkgeheugen:
1. Fonologische lus: verbale info wordt vastgehouden door constante herhaling
2. Visueel-ruimtelijk kladblok: visuele info wordt tijdelijk vastgehouden, zoals actief houden
van foto in het hoofd
3. Episodische buffer: opslagsysteem waarin tegelijkertijd meerdere aspecten van
gebeurtenissen in een multidimensionale code bewaard blijft. Functioneert als schakel tussen
LTG en werkgeheugen.
Chunk = één eenheid van informatie
Het werkgeheugen wordt vaak gezien als het voorportaal voor het declaratief langetermijngeheugen.
De belangrijkste factor bij opslag in het LTG is de diepte van verwerking = hoeveelheid gedachten die
gegenereerd wordt over de info op het moment van opslaan.
Beste strategie om iets te leren: elaboratie = het bewust zoveel mogelijk associaties vormen bij wat
geleerd moet worden.
Drie factoren die bepalen of info later herinnerd wordt:
- Opslag (zie hierboven)
- Retentie-interval = tijd tussen opslag en test. Hoe langer het retentie-interval, hoe meer
vergeten wordt.
- Soort test