Vraag 1
a. Er dient aan drie voorwaarden te zijn voldaan teneinde de strafbare poging ex art. 45 Sr te
bewijzen. Allereerst dient er sprake te zijn van een misdrijf; doodslag voldoet hieraan (Tweede
Boek WvSr). Ten tweede dient er sprake te zijn van een voornemen van de dader, hetgeen een
vorm van opzet impliceert. Middels voorwaardelijk opzet (HR Bijlmer doodslag/HR Spookrijder/HR
Bumperkleven) kan het voornemen van Willemijn worden vastgesteld. Dit moet worden uitgewerkt
aan de hand van de drie voorwaarden van voorwaardelijk opzet. Het voornemen heeft zich in casu
ten slotte geopenbaard door een begin van uitvoering, daar de gedraging naar de uiterlijke
verschijningsvorm kan worden beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van het misdrijf (HR
Uitzendbureau Cito/HR Grenswisselkantoor). Tussenconclusie: aan alle voorwaarden is voldaan,
dus de poging kan bewezen worden. Ook het overige ten laste gelegde kan worden bewezen, dus
het tenlastegelegde kan bewezen worden.
b. Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht ex art. 40 Sr dient sprake te zijn van een van
buiten komende (acute) dwang, kracht of drang, waaraan geen weerstand geboden kan worden
en redelijkerwijs geen weerstand tegen hoeft te worden geboden. Gelet op de feiten en
omstandigheden zoals vermeld in het verweer, is er geen sprake van een van buiten komende
dwang, kracht of drang. Het verweer heeft derhalve geen kans van slagen.
c. Voor een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred (art. 46b Sr) dient sprake te zijn van een
omstandigheid van de wil van de dader afhankelijk onder invloed waarvan het delict niet voltooid
wordt (HR m.s. Canopus). Willemijn is weliswaar tot inkeer gekomen, maar zij heeft geen enkele
handeling verricht teneinde het intreden van het gevolg te keren of het gevolg te beperken. Het
verweer heeft derhalve geen kans van slagen.
Vraag 2
a. Artikel 284 lid 1 onder 1 Sr betreft een doleus delict. In het woord ‘dwingen’ ligt de opzeteis
besloten. Hier is sprake van ‘ingeblikt’ opzet.
b. Voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand ex art. 40 Sr dient sprake te
zijn van een min of meer acuut conflict van twee plichten/rechtsbelangen waarbij de juiste keuze
is gemaakt door de verdachte, welke juistheid beoordeeld wordt aan de hand van de beginselen
van de proportionaliteit en subsidiariteit en eventueel de Garantenstellung (HR Opticien). Hoewel
in de optiek van de verdachte sprake is van een min of meer acuut conflict van twee plichten, heeft
hij geen juiste keuze gemaakt. De beginselen van de proportionaliteit en subsidiariteit zijn namelijk
geschonden. Het verweer heeft derhalve geen kans van slagen.
c. Rechtsdwaling kan leiden tot afwezigheid van alle schuld (AVAS) als ongeschreven
schulduitsluitingsgrond, hetgeen de verwijtbaar aantast. Een geslaagd beroep op rechtsdwaling
zal leiden tot vrijspraak (art. 350 jo. art. 352 lid 1 Sv), nu de ten laste gelegde culpa niet bewezen
kan worden.
d. Een vervolging ter zake van poging tot (eenvoudige) mishandeling heeft geen kans van slagen,
daar poging tot dit misdrijf niet strafbaar is (art. 300 lid 5 Sr).
Vraag 3
a. Wederrechtelijke dwang wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
een geldboete van de vierde categorie (art. 284 lid 1 Sr). De opgelegde gevangenisstraf van acht
maanden valt binnen de wettelijke marges. Op grond van art. 14a lid 1 Sr is acht maanden waarvan
drie maanden voorwaardelijk mogelijk. Op grond van art. 14b lid 1 en 2 Sr is een proeftijd van
twee jaren eveneens mogelijk. Een taakstraf van 120 uren is mogelijk (art. 9 lid 2 jo. art. 22c lid 2
Sr). Bij niet voltooiing is in beginsel vervangende hechtenis mogelijk (art. 22d lid 1 Sr). I.c. is de
vervangende hechtenis echter niet mogelijk, daar er tien dagen te veel worden bevolen (art. 22d
lid 3 Sr). Een gevangenisstraf en taakstraf kunnen worden gecombineerd (art. 9 lid 4 Sr).
Ontzetting van het recht om raadsman of gerechtelijk bewindvoerder te zijn (art. 9 lid 1 onder b
sub 1 jo. art. 28 lid 1 sub 4 Sr) is i.c. niet mogelijk, daar de wet haar oplegging niet toelaat (art. 9
lid 5 Sr). Conclusie: de rechter kan dit sanctiepakket niet (integraal) opleggen.
b. Zie HR 5 juli 2016, NJ 2016, 348, m. nt. T Kooijmans, r.o. 3.3.