S. epididermis is meest voorkomende bacterie die biofilms produceert
productie van biofilm: bacterie in bloedstroom hecht zich vast aan inert materiaal adhesieve
moleculen, daarna gaan ze een polysacharide laag omzich heen bouwen zodat ze beschermt worden
tegen de omgeving ( biofilm).
het probleem van biofilms is dat de onderliggende bacterien beschermd worden tegen de afweer van
de gastheer en antibiotica. AB concentraties moeten 100-1000 maal oger zijn om de bacterie te
bereiken.
tetrasodium EDTA kan biofilms oplossen en speelt een belangrijke rol hierin.
Katheter infecties worden uitgedrukt in totale nummer van dagen dat het katheter in situ is.
Vooral in Burn-ICU’s 3.5 infecties per 1000 dagen, rest 1.4.
CABI: : Catheter associated bloodstream infections, geen andere oorzaak dan lijnen. En hebben een
lijn langer hebben of binnen 48u een positieve bloedkweek. ( gebruikt in surveys, minder rigoreus
dan in de klinische praktijk)
symptomen van CABI komen pas na 48u!(tijd nodig voor kolonisatie van de lijn)
vaak vage symptomen; koorts, leukocytose. Erytheem rondom insteek is geen teken van sepsis.
purulente drainage rondom insteek kan wijzen op een exit-site infectie. Niet zo zeer bacteriemie.
CRBI: catheter related bloodstream infections: BI+ bacterien aan lijn. niet te stellen op kliniek
Management:
- Vervang lijn met nieuwe venapunctie bij neutropenie, kunstklep, PM-draden, sepsis of
shock of purulent drainage rondom insteek.
- Verang katheter over draad en zelfde prikplek
- Katheter in situ laten
Bloedkweken:
- Semiquantitatieve kweek van lijn punt( gouden standaard) zelfde organisme aan lijn als in bloed
bij verdenking: verwijder lijn nadat huid erom heen is gedesinfecteerd
verwijder lijn op steriele manier, snij distale 5 cm van lijn af, plaats deel in steriele kweek tube, voor
transport naar MMB. ( semi-quantitatieve/ roll-plate kweek( bel MMB dat dit is aangevraagd voor
juiste remmers voor de kweek.)
10 ml perifeer bloed afnemen voor bloedkweek
CBRI: is gediagnosieerd wanneer hetzelfde microorganisme wordt gekweekt in bloed en lijn en de
kolonies aan de lijn > 15.
- Differential quantitative bloodcultures zelfde organisme in perifere bloed en katherbloed,
concentratie bacterien in katheter >3maal groter dan perifeer.
methode voor lijnen die in situ blijven: uitgedrukt in colony forming units per ml:
- gebruik speciale isolator culture buizen( Isolator culture system, Dupont, Wilmington, DE) deze
buizen zorgen voor lysis van cellen zodat de mirco-organismen vrij komen.
Maak de hub van de katheters schoon met een anti-septische oplossing( distale lumen gebruiken in
multilumen lijnen). 10 ml bloed uit lijn halen in Isolator culture. 10 ml bloed in Isolator culture in
perifeer bloed.
Beide buizen naar MMB voor quantitatieve kweken,( door lysis van cellen en centriugeren van cel
fragmenten, blijven alleen micro-organismen over.)
diagnose is bevestigd als hetzelfde organisme is gekweekt in lijn(3x grotere colony count dan in ) en
perifeer bloed. Detecteert alleen bacterien in lumen van de lijn, niet buitenzijde van de lijn. Echter
, 94% accuraat in vergelijking met semi-quantitatieve methode. Deze methode wordt ook gebruikt
wanneer lijn in situ blijft.
Qualitatieve kweek: routine kweken uit lijn en perifeer. Hierbij lijn minimaal 2u eerder positief dan
uit perifeer bloed. minder accuraat, maar technisch sneller en minder duur.
Differential time to positive culture: zelfde organisme in perifere bloed en kather; echter groei in
katheter minimaal 2 uur sneller dan in perifeer bloed
Microbiele spectrum:
coagulase negatieve stafylococcen, gram negatieve aerobe bacillen( pseudomonas, klebsiella
pneumoniae, E. Coli) Enterococcen, Staph Aureus, en candida.
Coagulase negatieven zijn vooral staph epididermis 1/3 van de infecties, gram negatieve bacillen en
andere organismen die tot de darmflora behoren. ( enterococcen en candida)
Empirische AB therapie:
Bij verdenking op CBRI direct starten na afnemen kweken.
Stphylococcen: vancomycine bij MRSA daptomycine
Enterococcen: Vancomycine, bij resistentie ; daptomycine
Gram-negatieve Bacillen: Carbapenem or Cefepime or Pipericilline-tazobactam aminoglycoside
toevoegen bij neutropenie or multiresistente organismen.
Candida species: Echinocandin: Bij femorale lijn, TPN hematologische maligniteit, langere AB
resistentie, recente transplantatie of candida elders.
Vancomycine is meest actieve middel tegen stafylococcen en enterococcen( 50% van de lijn infecties)
Daptomycine als vervanger voor vancomycine.
empirisch dekken van darmbacterien is aangeraden vanwege grote kans op infectie van deze micro-
organismen bij patienten met CBRI. AB die het beste werken voor gram negatieven: carbapenems, 4 e
generatie cefalosporinen( cefepime) en betalactam/blactamase inhibitor
combinaties( pipericilline/tazobactam)
Additinonele gram-negatieve dekking bij pat met neutropenie en MRSA bram-negatieve bacillen.
Empirisch dekken van candida alleen aanbevolen onder situaties hietboven beschreven;
echinocandins( caspofungin) > azolen( fluconazol); sommige candida species zijn resistent tegen
fluconazol.
Als de kweek positief is moet de AB therapie aangepast worden;
productie van biofilm: bacterie in bloedstroom hecht zich vast aan inert materiaal adhesieve
moleculen, daarna gaan ze een polysacharide laag omzich heen bouwen zodat ze beschermt worden
tegen de omgeving ( biofilm).
het probleem van biofilms is dat de onderliggende bacterien beschermd worden tegen de afweer van
de gastheer en antibiotica. AB concentraties moeten 100-1000 maal oger zijn om de bacterie te
bereiken.
tetrasodium EDTA kan biofilms oplossen en speelt een belangrijke rol hierin.
Katheter infecties worden uitgedrukt in totale nummer van dagen dat het katheter in situ is.
Vooral in Burn-ICU’s 3.5 infecties per 1000 dagen, rest 1.4.
CABI: : Catheter associated bloodstream infections, geen andere oorzaak dan lijnen. En hebben een
lijn langer hebben of binnen 48u een positieve bloedkweek. ( gebruikt in surveys, minder rigoreus
dan in de klinische praktijk)
symptomen van CABI komen pas na 48u!(tijd nodig voor kolonisatie van de lijn)
vaak vage symptomen; koorts, leukocytose. Erytheem rondom insteek is geen teken van sepsis.
purulente drainage rondom insteek kan wijzen op een exit-site infectie. Niet zo zeer bacteriemie.
CRBI: catheter related bloodstream infections: BI+ bacterien aan lijn. niet te stellen op kliniek
Management:
- Vervang lijn met nieuwe venapunctie bij neutropenie, kunstklep, PM-draden, sepsis of
shock of purulent drainage rondom insteek.
- Verang katheter over draad en zelfde prikplek
- Katheter in situ laten
Bloedkweken:
- Semiquantitatieve kweek van lijn punt( gouden standaard) zelfde organisme aan lijn als in bloed
bij verdenking: verwijder lijn nadat huid erom heen is gedesinfecteerd
verwijder lijn op steriele manier, snij distale 5 cm van lijn af, plaats deel in steriele kweek tube, voor
transport naar MMB. ( semi-quantitatieve/ roll-plate kweek( bel MMB dat dit is aangevraagd voor
juiste remmers voor de kweek.)
10 ml perifeer bloed afnemen voor bloedkweek
CBRI: is gediagnosieerd wanneer hetzelfde microorganisme wordt gekweekt in bloed en lijn en de
kolonies aan de lijn > 15.
- Differential quantitative bloodcultures zelfde organisme in perifere bloed en katherbloed,
concentratie bacterien in katheter >3maal groter dan perifeer.
methode voor lijnen die in situ blijven: uitgedrukt in colony forming units per ml:
- gebruik speciale isolator culture buizen( Isolator culture system, Dupont, Wilmington, DE) deze
buizen zorgen voor lysis van cellen zodat de mirco-organismen vrij komen.
Maak de hub van de katheters schoon met een anti-septische oplossing( distale lumen gebruiken in
multilumen lijnen). 10 ml bloed uit lijn halen in Isolator culture. 10 ml bloed in Isolator culture in
perifeer bloed.
Beide buizen naar MMB voor quantitatieve kweken,( door lysis van cellen en centriugeren van cel
fragmenten, blijven alleen micro-organismen over.)
diagnose is bevestigd als hetzelfde organisme is gekweekt in lijn(3x grotere colony count dan in ) en
perifeer bloed. Detecteert alleen bacterien in lumen van de lijn, niet buitenzijde van de lijn. Echter
, 94% accuraat in vergelijking met semi-quantitatieve methode. Deze methode wordt ook gebruikt
wanneer lijn in situ blijft.
Qualitatieve kweek: routine kweken uit lijn en perifeer. Hierbij lijn minimaal 2u eerder positief dan
uit perifeer bloed. minder accuraat, maar technisch sneller en minder duur.
Differential time to positive culture: zelfde organisme in perifere bloed en kather; echter groei in
katheter minimaal 2 uur sneller dan in perifeer bloed
Microbiele spectrum:
coagulase negatieve stafylococcen, gram negatieve aerobe bacillen( pseudomonas, klebsiella
pneumoniae, E. Coli) Enterococcen, Staph Aureus, en candida.
Coagulase negatieven zijn vooral staph epididermis 1/3 van de infecties, gram negatieve bacillen en
andere organismen die tot de darmflora behoren. ( enterococcen en candida)
Empirische AB therapie:
Bij verdenking op CBRI direct starten na afnemen kweken.
Stphylococcen: vancomycine bij MRSA daptomycine
Enterococcen: Vancomycine, bij resistentie ; daptomycine
Gram-negatieve Bacillen: Carbapenem or Cefepime or Pipericilline-tazobactam aminoglycoside
toevoegen bij neutropenie or multiresistente organismen.
Candida species: Echinocandin: Bij femorale lijn, TPN hematologische maligniteit, langere AB
resistentie, recente transplantatie of candida elders.
Vancomycine is meest actieve middel tegen stafylococcen en enterococcen( 50% van de lijn infecties)
Daptomycine als vervanger voor vancomycine.
empirisch dekken van darmbacterien is aangeraden vanwege grote kans op infectie van deze micro-
organismen bij patienten met CBRI. AB die het beste werken voor gram negatieven: carbapenems, 4 e
generatie cefalosporinen( cefepime) en betalactam/blactamase inhibitor
combinaties( pipericilline/tazobactam)
Additinonele gram-negatieve dekking bij pat met neutropenie en MRSA bram-negatieve bacillen.
Empirisch dekken van candida alleen aanbevolen onder situaties hietboven beschreven;
echinocandins( caspofungin) > azolen( fluconazol); sommige candida species zijn resistent tegen
fluconazol.
Als de kweek positief is moet de AB therapie aangepast worden;