Plaatjes en plasma
Endotheel is tromboresistent oppervlakte dat het bloed vloeibaar houdt.
endotheel maakt NO achtige stoffen en prostacycline dat platjes adhesie remt.
glycoproteine op oppvervlakte van endotheelcellen dat trombomoduline heet dient als endogene
anticoagulant door proteine C te activeren, uiteindelijk zal het endotheel als een barriere dienen dat
het bloed van weefsel scheidt.
Reactie op schade:
als het endotheel is beschadigt worden plaatjes blootgesteld aan het collageen in het subendotheel
en gaat ene plaatjes stop vormen. Deze plaatjes releasen calcium die de glycoproteine IIb/IIIa
complex activeren. Deze receptor complex bindt irreversivel met von willebrand factor op omliggende
endotheel cellen. Die weer helpt de plaatjes plug vast te ankeren aan de vaatwand.IIb/IIIb complex
bindt ook fibrinogeen en is voor vormen van bruggen tussen fibrine en plaatjes.
Endothee; en weefselschade promoot het vormen van fibrine dat essentieel is voor de groei en
stabiliteit van de ontwikkelende trombus. Er zijn pathways om fibrine te vormen:
Tissue factor pathway: geactiveerd bij de release van tromboplastine( tissue factor) van het
endotheel.
De tweede pathway: is de contact activatie pathway: geactiveerd door endogene peptides
( kininogenen precursors van bradykinine)
Beide pathways hebben de activatie van specifieke procoagulant eiwitten ( clotting factors) en beode
leiden ze tot actiatie van protrombine( factor II) en is afhankelijk van conversie van fibrinogeen.
Eindproduct is vorming van een trombus wat eigenlijk een klompt plaatjes is in een netwerk van
fibrinedraden die vast zitten aan de vaatwand.
Trombocytopenie:
vaakst voorkomende hemostatische afwijking in kritisch zieke patienten. Met een incidentie van
60%. Definitie is plaatjes < 150.000 maar vormen van een plaatjes prop is voldoende bij 100.000.
Hoewel het risico op bloeden niet zo zeer bepaald wordt door alleen bloedplaatjes.
alleen bij plaatjes < 10.000 is er een kans op spontane intra-cerebrale bloeding.
Pseudotrombocytopenie:
antilichemamen tegen EDTA stolling in vitro.
2% van de gevallen bij ziekenhuis patienten. Vaak patienten met sepsis, autoimmuunstoornissen,
neoplasmata of leverziekten.
lage plaatjes
Critically ill patients:
systemische sepsis is grootste oorzaak van trombocytopenie door destructie door macrofagen.
anti-neoplasmatica kunnen plaatjes verminderen in het beenmerg. antilichamen diekruisreactie
geven met plaatjes.
vooral bij heparine, minder bij glycoproteine IIb/IIIa antagonisten en bepaalde AB.
Heparine geinduceerde trombocytopenie:
nietimmuun vorm: milde trombocytopenie, na start van heparine. Deze reactie komt in 10-30% van
de patienten voor die heparine krijgen. Gaat vanzelf over.
, immuun trombocytopenie: 5-10 dagen na starten heparine. Kan een levensbedreigende trombose
veroorzaken. En heeft een grote mortaliteitsgraag van 30%.
heparine bindt aan een proteine op plaatjes dat een antigen complex kan vormen en de formatie van
IgG kan induceren. binden aan vaatwand tissue factor release plaatjes opgebruikt. trombose.
Alleen IgG binding geeft ook al trombose risico door plaatjes activatie. Antilichamen verdwijnen 3
maanden na staken heparine.
Risico factoren:
niet dosis afhankelijke reactie. HIT kans is groter bij ongefractioneerd heparine. Vooral na
orthopedische OK en cardiale OK, laagste in medische patienten.
Kliniek:
HIT meestal na 5-10 dagen, maar kan na 24u. plaatjes vaak tussen 50.000 en 150.000. Vaak voor de
trombocytopenie een trombose.
Vaker veneuze trombose 17-55% dan arterieel.
Diagnose:
ELISA voor diagnose.
Management:
staken heparine: anticoagulantia met directe trombine remmers. Aanbevelen van goede en volledige
antistolling.
Argatroban: L-arginine; bindt irreversibel aan de active site met trombine.kan continu gegeven
worden. Streven is een APTT van 1.5-3/ vooral door lever geklaard. dosis afhankelijk bij leverfalen.
Lepirudin:
recombinante vorm van hirudine een antistolling in bloedzuigers. Bindt irreversivel aan trombine.
Lepirudine is gegeven bij continue infusie. Voorafgegaan aan een bolus. Heirbij ook een APTT van
1.5-3. Door nieren geklaard. En dosis afhankelijk nodig bij nierfalen.
Lepirudine kan vaak maar 1x gegeven worden vaak anafylactische reacties bij 2e gift!!!!!
duratie van behandeling:
antistolling nodig tot plaatjes boven 150.000. daarna antistolling met coumarine derivaten.
niet eerder met coumarines totdat plaatjes op niveau zijn.
en niet meer dan 5 mg coumarines risico op gangreen verminderen.
trombotische microangiopathieen:
verspreide microvasculaire trombose met MOF
consumptieve trombocytopenie
fragmentatie van Ery’s microangiopatische hemolytische anemie.
DIC, TTP en HELLP syndroom( hemolyse, leverenzymen en lage plaatjes)
Endotheel is tromboresistent oppervlakte dat het bloed vloeibaar houdt.
endotheel maakt NO achtige stoffen en prostacycline dat platjes adhesie remt.
glycoproteine op oppvervlakte van endotheelcellen dat trombomoduline heet dient als endogene
anticoagulant door proteine C te activeren, uiteindelijk zal het endotheel als een barriere dienen dat
het bloed van weefsel scheidt.
Reactie op schade:
als het endotheel is beschadigt worden plaatjes blootgesteld aan het collageen in het subendotheel
en gaat ene plaatjes stop vormen. Deze plaatjes releasen calcium die de glycoproteine IIb/IIIa
complex activeren. Deze receptor complex bindt irreversivel met von willebrand factor op omliggende
endotheel cellen. Die weer helpt de plaatjes plug vast te ankeren aan de vaatwand.IIb/IIIb complex
bindt ook fibrinogeen en is voor vormen van bruggen tussen fibrine en plaatjes.
Endothee; en weefselschade promoot het vormen van fibrine dat essentieel is voor de groei en
stabiliteit van de ontwikkelende trombus. Er zijn pathways om fibrine te vormen:
Tissue factor pathway: geactiveerd bij de release van tromboplastine( tissue factor) van het
endotheel.
De tweede pathway: is de contact activatie pathway: geactiveerd door endogene peptides
( kininogenen precursors van bradykinine)
Beide pathways hebben de activatie van specifieke procoagulant eiwitten ( clotting factors) en beode
leiden ze tot actiatie van protrombine( factor II) en is afhankelijk van conversie van fibrinogeen.
Eindproduct is vorming van een trombus wat eigenlijk een klompt plaatjes is in een netwerk van
fibrinedraden die vast zitten aan de vaatwand.
Trombocytopenie:
vaakst voorkomende hemostatische afwijking in kritisch zieke patienten. Met een incidentie van
60%. Definitie is plaatjes < 150.000 maar vormen van een plaatjes prop is voldoende bij 100.000.
Hoewel het risico op bloeden niet zo zeer bepaald wordt door alleen bloedplaatjes.
alleen bij plaatjes < 10.000 is er een kans op spontane intra-cerebrale bloeding.
Pseudotrombocytopenie:
antilichemamen tegen EDTA stolling in vitro.
2% van de gevallen bij ziekenhuis patienten. Vaak patienten met sepsis, autoimmuunstoornissen,
neoplasmata of leverziekten.
lage plaatjes
Critically ill patients:
systemische sepsis is grootste oorzaak van trombocytopenie door destructie door macrofagen.
anti-neoplasmatica kunnen plaatjes verminderen in het beenmerg. antilichamen diekruisreactie
geven met plaatjes.
vooral bij heparine, minder bij glycoproteine IIb/IIIa antagonisten en bepaalde AB.
Heparine geinduceerde trombocytopenie:
nietimmuun vorm: milde trombocytopenie, na start van heparine. Deze reactie komt in 10-30% van
de patienten voor die heparine krijgen. Gaat vanzelf over.
, immuun trombocytopenie: 5-10 dagen na starten heparine. Kan een levensbedreigende trombose
veroorzaken. En heeft een grote mortaliteitsgraag van 30%.
heparine bindt aan een proteine op plaatjes dat een antigen complex kan vormen en de formatie van
IgG kan induceren. binden aan vaatwand tissue factor release plaatjes opgebruikt. trombose.
Alleen IgG binding geeft ook al trombose risico door plaatjes activatie. Antilichamen verdwijnen 3
maanden na staken heparine.
Risico factoren:
niet dosis afhankelijke reactie. HIT kans is groter bij ongefractioneerd heparine. Vooral na
orthopedische OK en cardiale OK, laagste in medische patienten.
Kliniek:
HIT meestal na 5-10 dagen, maar kan na 24u. plaatjes vaak tussen 50.000 en 150.000. Vaak voor de
trombocytopenie een trombose.
Vaker veneuze trombose 17-55% dan arterieel.
Diagnose:
ELISA voor diagnose.
Management:
staken heparine: anticoagulantia met directe trombine remmers. Aanbevelen van goede en volledige
antistolling.
Argatroban: L-arginine; bindt irreversibel aan de active site met trombine.kan continu gegeven
worden. Streven is een APTT van 1.5-3/ vooral door lever geklaard. dosis afhankelijk bij leverfalen.
Lepirudin:
recombinante vorm van hirudine een antistolling in bloedzuigers. Bindt irreversivel aan trombine.
Lepirudine is gegeven bij continue infusie. Voorafgegaan aan een bolus. Heirbij ook een APTT van
1.5-3. Door nieren geklaard. En dosis afhankelijk nodig bij nierfalen.
Lepirudine kan vaak maar 1x gegeven worden vaak anafylactische reacties bij 2e gift!!!!!
duratie van behandeling:
antistolling nodig tot plaatjes boven 150.000. daarna antistolling met coumarine derivaten.
niet eerder met coumarines totdat plaatjes op niveau zijn.
en niet meer dan 5 mg coumarines risico op gangreen verminderen.
trombotische microangiopathieen:
verspreide microvasculaire trombose met MOF
consumptieve trombocytopenie
fragmentatie van Ery’s microangiopatische hemolytische anemie.
DIC, TTP en HELLP syndroom( hemolyse, leverenzymen en lage plaatjes)