Osmotische afwijkingen
40% van de ic-patiënten hebben een probleem in de osmotische balans tussen intracellulair en
extracellulair.
Osmotische activiteit:
beweging van water tussen compartimenten in staat bekend als osmotische activiteit. Osmotische
ctiviteit is afhankelijk van de hoeveelheid opgeloste deeltjes, niet electrische lading, of chemische
eigenschappen van een stof.
Relatieve osmotische activiteit:
Twee compartimenten die gescheiden zijn met een membraan dat permeabel is zullen de vloeistoffen
en de deeltjes zich gelijkmatig verdelen over het membraan.
Effectieve osmotische activiteit:
Wanneer twee vloeistofcompartimenten zijn gescheiden door een membraan maar niet voor
deeltjes, dan zal alleen het water zich vrijelijk kunnen verdelen. ( meer aan zijde van meer deeltjes,
hypertoon zal meer water opnemen.)
Wanneer de extracellulaire vloeistof hypertoon is zal er water uit de cel gaan, wanneer extracellulair
hypotoon, water in de cel.
Units van osmotische activiteit:
meten n osm( osmole) 1 mol van een stof. Kan uitgedrukt worden in relatie tot het volume water in
een oplossing of het totale volume van een oplossing.
Osmotische activiteit per volume van een oplossing is osmolariteit: miliosmol/L
Osmotische activiteit per volume van water is osmolaliteit: miliosmol/ kg H2O mosm/kg H2O
Plasm is 93% water dus de osmotische activiteit is uitgedrukt als osmolaliteit mosm/kg H2O.
bij extracellulair is de osmolaliteit en osmolariteit vrijwel hetzelfde.
Plasma osmolaliteit:
Gemeten plasma osmolaliteit:
standaard methode is de freezing point depression methode. Voor iedere kg osmol aan oplossing in
het water daalt het vriespunt met 1.86 graad.
Berekende plasma osmolaliteit:
plasma osmol kan ook berekend worden door gebruik te maken van de concentraties van de
principiele oplossingen in plasma( natrium, chloride, glucose en ureum)
Posm= (2*[Na+]) + [glucose]/18 + BUN/2.8
2* Na ( want NaCL en neemt ook meteen waarde van Cl mee)
, molecuul gewicht van glucose en ureum 18 resp 2.8
Plasma osmolaliteit:
ureum kan over membranen geen dus ene verhoging van ureum nitraat in het bloed zal niet leiden
tot een relatieve osmotische activiteit. berekenen van effectieve plasma osmolaliteit heeft ureum
nitraat niet nodig.
Effective Posm= ( 2* [Na+]) + [glucose]/18
verschil van 5 mosm/kg H2O tussen totale en effectieve plasma osmol
plasma natrium zorgt voor 98% voor de effectieve osmotische activiteit van extracellulaire
compartiment.
Osmol gap:
Osmol gap = verschil tussen gemeten en berekende plasma osmolaliteit ~ rond de 10 mosm/kg H2O
Accumulatie van niet oplosbare stoffen zal de osmolgap verhogen.
Hypernatriemie:
Normaal natrium 135-145 mEq/L
in 25% van de IC patienten > 145
Hypernatriemie kan door 3 afwijkingen:
- verlies van natrium en water met meer water verlies dan natrium (hypotoon verlies) laag ECV
- vrij water verlies normaal ECV
- opname van natrium en vrij water( meer natrium dan vrij water) (hypertone vloeistof) hoog ECV
Hypertoniciteit:
Door de hypernatriemie zal er een verhoging zijn van de effectieve osmolaliteit( toniciteit) trekt
water uit cellen( vooral in CZS).
Hypernatremische encefalopathy:
hypernatremische encefalopathie kan varieren van agitatie en lethargie tot coma, gegeneraliseerde of
focale insulten. komt vaker voor bij snelle stijging van Na+, en hierdoor zullen neuronale cellen
verschrompelen. Dit zorgt voor osmotische demyelinisatie.
de aanwezigheid van encefalopathie is een slecht prognostisch teken in hypernatriemie mortaliteit
van 50%.
Hypovolemische hypernatriemie:
= hypernatriemie met laag ECV en het resultaat van verlies van hypotone vloeistoffen community
acquired hypernatriemie.
ieder vloeistof verlies betekent verlies van Na+ vermindering van ECV
alle verloren vloeistoffen zijn hypotoon tot plasma ( hierdoor zal dus hypernatriemie onstaan
indien niet gecorrigeerd)
Oorzaken hiervoor kunnen zijn; overmatig plassen( osmotisch of drug-induced), excessief zweten in
hitte gerelateerde ziekten of normale of geaccentueerde vloeistof verliezen in ouderen en sepsis.
Verminderde dost:
normale reactie op hypotoon verlies= dorst, dit om de stijging van osmolaliteit te verminderen.
40% van de ic-patiënten hebben een probleem in de osmotische balans tussen intracellulair en
extracellulair.
Osmotische activiteit:
beweging van water tussen compartimenten in staat bekend als osmotische activiteit. Osmotische
ctiviteit is afhankelijk van de hoeveelheid opgeloste deeltjes, niet electrische lading, of chemische
eigenschappen van een stof.
Relatieve osmotische activiteit:
Twee compartimenten die gescheiden zijn met een membraan dat permeabel is zullen de vloeistoffen
en de deeltjes zich gelijkmatig verdelen over het membraan.
Effectieve osmotische activiteit:
Wanneer twee vloeistofcompartimenten zijn gescheiden door een membraan maar niet voor
deeltjes, dan zal alleen het water zich vrijelijk kunnen verdelen. ( meer aan zijde van meer deeltjes,
hypertoon zal meer water opnemen.)
Wanneer de extracellulaire vloeistof hypertoon is zal er water uit de cel gaan, wanneer extracellulair
hypotoon, water in de cel.
Units van osmotische activiteit:
meten n osm( osmole) 1 mol van een stof. Kan uitgedrukt worden in relatie tot het volume water in
een oplossing of het totale volume van een oplossing.
Osmotische activiteit per volume van een oplossing is osmolariteit: miliosmol/L
Osmotische activiteit per volume van water is osmolaliteit: miliosmol/ kg H2O mosm/kg H2O
Plasm is 93% water dus de osmotische activiteit is uitgedrukt als osmolaliteit mosm/kg H2O.
bij extracellulair is de osmolaliteit en osmolariteit vrijwel hetzelfde.
Plasma osmolaliteit:
Gemeten plasma osmolaliteit:
standaard methode is de freezing point depression methode. Voor iedere kg osmol aan oplossing in
het water daalt het vriespunt met 1.86 graad.
Berekende plasma osmolaliteit:
plasma osmol kan ook berekend worden door gebruik te maken van de concentraties van de
principiele oplossingen in plasma( natrium, chloride, glucose en ureum)
Posm= (2*[Na+]) + [glucose]/18 + BUN/2.8
2* Na ( want NaCL en neemt ook meteen waarde van Cl mee)
, molecuul gewicht van glucose en ureum 18 resp 2.8
Plasma osmolaliteit:
ureum kan over membranen geen dus ene verhoging van ureum nitraat in het bloed zal niet leiden
tot een relatieve osmotische activiteit. berekenen van effectieve plasma osmolaliteit heeft ureum
nitraat niet nodig.
Effective Posm= ( 2* [Na+]) + [glucose]/18
verschil van 5 mosm/kg H2O tussen totale en effectieve plasma osmol
plasma natrium zorgt voor 98% voor de effectieve osmotische activiteit van extracellulaire
compartiment.
Osmol gap:
Osmol gap = verschil tussen gemeten en berekende plasma osmolaliteit ~ rond de 10 mosm/kg H2O
Accumulatie van niet oplosbare stoffen zal de osmolgap verhogen.
Hypernatriemie:
Normaal natrium 135-145 mEq/L
in 25% van de IC patienten > 145
Hypernatriemie kan door 3 afwijkingen:
- verlies van natrium en water met meer water verlies dan natrium (hypotoon verlies) laag ECV
- vrij water verlies normaal ECV
- opname van natrium en vrij water( meer natrium dan vrij water) (hypertone vloeistof) hoog ECV
Hypertoniciteit:
Door de hypernatriemie zal er een verhoging zijn van de effectieve osmolaliteit( toniciteit) trekt
water uit cellen( vooral in CZS).
Hypernatremische encefalopathy:
hypernatremische encefalopathie kan varieren van agitatie en lethargie tot coma, gegeneraliseerde of
focale insulten. komt vaker voor bij snelle stijging van Na+, en hierdoor zullen neuronale cellen
verschrompelen. Dit zorgt voor osmotische demyelinisatie.
de aanwezigheid van encefalopathie is een slecht prognostisch teken in hypernatriemie mortaliteit
van 50%.
Hypovolemische hypernatriemie:
= hypernatriemie met laag ECV en het resultaat van verlies van hypotone vloeistoffen community
acquired hypernatriemie.
ieder vloeistof verlies betekent verlies van Na+ vermindering van ECV
alle verloren vloeistoffen zijn hypotoon tot plasma ( hierdoor zal dus hypernatriemie onstaan
indien niet gecorrigeerd)
Oorzaken hiervoor kunnen zijn; overmatig plassen( osmotisch of drug-induced), excessief zweten in
hitte gerelateerde ziekten of normale of geaccentueerde vloeistof verliezen in ouderen en sepsis.
Verminderde dost:
normale reactie op hypotoon verlies= dorst, dit om de stijging van osmolaliteit te verminderen.