Inleiding Spraak - Taal
Spraak: Mondfuncties & Mondgewoonten / OMFT:
De student legt de relatie tussen afwijkende mondgewoonten en de structuren /
functies van het mondgebied uit (inzicht).
Afwijkende Mondgewoonten Gevolgen Structuren en Functies Mondgebied
Afwijkend kauwen en slikken.
Duim-, vingerzuigen en overige ● Lage tongligging;
zuiggewoonten. ● Interdentale spraak;
→ Moet voor 5j af zijn ● Tongpers Gewoonte;
geleerd. ● Open mondgedrag;
● SOB / VOB: Sagittale/Verticale Open Beet.
Habitueel mondademen. ● Tongligging laag → slap → open mond;
● Tandstand → protrusie → lipsluiting moeilijker;
● Kaakstand → gotisch gehemelte → septum
nasi;
(neustussenschot)
● Slapen → mond blijft open staan
● Long face syndrome kan worden veroorzaakt.
Afwijkende tongpositie in rust. ● Goede tongplaatsing: tong licht aangezogen tegen
het palatum en rust op of tegen de alveolaire rand.
Foutieve lipgewoonten. ● Slechte houding en tonus van de lippen.
● Liplikken;
● Lipzuigen.
Nagelbijten. ● Chronisch nagelbijten kan het vooruitschuiven van
de onderkaak en/of een hypertonie van de kaken
ten gevolge hebben.
Afwijkend mondgedrag bij ● Craniomandibulaire dysfunctie (CMD): klachten
dysfunctie kaakgewricht. aan het kauwstelsel.
Gevolgen van afwijkende mondgewoonten:
● Overbeet, onderbeet, open beet.
● Scheve tanden.
● Kaakpijn.
● Verstoorde taalontwikkeling.
● Kwijlen.
● Droge lippen.
● Beugel.
● Slissen.
, De student beschrijft de structuren en de functies van het mondgebied (kennis).
Primaire Functies Secundaire Functie
● Eten/drinken (Primaire functie). ● Praten
● Slikken.
● Kauwen.
● Zuigen.
● Proeven.
● Speeksel produceren.
● Ademen.
● Labiaal: lippen.
● Lingua: tong.
● Maxilla/mandibula: kaken.
● Dentura: gebit.
● Palatum/velum: gehemelte.
● Palatinaal: naar het palatum (gehemelte) toe gerichte vlakken.
● Nasus: neus.
● Rugae palatinae: plooien in het slijmvlies van het
gehemelte.
● Palatum durum: harde gehemelte (voorste deel van het
palatum).
● Palatum molle of velum: zachte gehemelte (achterste deel
van het palatum).
● Uvula: huig.
● Cavum oris: mondholte.
● Maxilla: bovenkaak.
● Mandibula: onderkaak.
● Lateraal: zijkant.
● Interdentaal: tussen de tanden.
● Addentaal: tegen de tanden.
● M. Orbicularis Oris: spier rond de mond.
→ Zorgt voor het sluiten van de mond,
op elkaar drukken en tuiten van de
lippen.
● M. Mentalis: kinspier.
→ Optrekken en naar voren brengen van
onderlip.
Spraak: Mondfuncties & Mondgewoonten / OMFT:
De student legt de relatie tussen afwijkende mondgewoonten en de structuren /
functies van het mondgebied uit (inzicht).
Afwijkende Mondgewoonten Gevolgen Structuren en Functies Mondgebied
Afwijkend kauwen en slikken.
Duim-, vingerzuigen en overige ● Lage tongligging;
zuiggewoonten. ● Interdentale spraak;
→ Moet voor 5j af zijn ● Tongpers Gewoonte;
geleerd. ● Open mondgedrag;
● SOB / VOB: Sagittale/Verticale Open Beet.
Habitueel mondademen. ● Tongligging laag → slap → open mond;
● Tandstand → protrusie → lipsluiting moeilijker;
● Kaakstand → gotisch gehemelte → septum
nasi;
(neustussenschot)
● Slapen → mond blijft open staan
● Long face syndrome kan worden veroorzaakt.
Afwijkende tongpositie in rust. ● Goede tongplaatsing: tong licht aangezogen tegen
het palatum en rust op of tegen de alveolaire rand.
Foutieve lipgewoonten. ● Slechte houding en tonus van de lippen.
● Liplikken;
● Lipzuigen.
Nagelbijten. ● Chronisch nagelbijten kan het vooruitschuiven van
de onderkaak en/of een hypertonie van de kaken
ten gevolge hebben.
Afwijkend mondgedrag bij ● Craniomandibulaire dysfunctie (CMD): klachten
dysfunctie kaakgewricht. aan het kauwstelsel.
Gevolgen van afwijkende mondgewoonten:
● Overbeet, onderbeet, open beet.
● Scheve tanden.
● Kaakpijn.
● Verstoorde taalontwikkeling.
● Kwijlen.
● Droge lippen.
● Beugel.
● Slissen.
, De student beschrijft de structuren en de functies van het mondgebied (kennis).
Primaire Functies Secundaire Functie
● Eten/drinken (Primaire functie). ● Praten
● Slikken.
● Kauwen.
● Zuigen.
● Proeven.
● Speeksel produceren.
● Ademen.
● Labiaal: lippen.
● Lingua: tong.
● Maxilla/mandibula: kaken.
● Dentura: gebit.
● Palatum/velum: gehemelte.
● Palatinaal: naar het palatum (gehemelte) toe gerichte vlakken.
● Nasus: neus.
● Rugae palatinae: plooien in het slijmvlies van het
gehemelte.
● Palatum durum: harde gehemelte (voorste deel van het
palatum).
● Palatum molle of velum: zachte gehemelte (achterste deel
van het palatum).
● Uvula: huig.
● Cavum oris: mondholte.
● Maxilla: bovenkaak.
● Mandibula: onderkaak.
● Lateraal: zijkant.
● Interdentaal: tussen de tanden.
● Addentaal: tegen de tanden.
● M. Orbicularis Oris: spier rond de mond.
→ Zorgt voor het sluiten van de mond,
op elkaar drukken en tuiten van de
lippen.
● M. Mentalis: kinspier.
→ Optrekken en naar voren brengen van
onderlip.