E-learning module: Oestrische Cyclus
Voortplantingshormonen zijn op basis van de biochemische structuur in 4 groepen te verdelen:
Proteïne-/peptidehormonen
o Bestaan uit aminozuren.
o GnRH, kisspeptin, relaxine en prolactine
o Binden aan extracellulaire receptor activeren
intracellulaire signaalcascades
Glycoproteïnehormonen
o Bestaan uit een polypeptide- en polysaccharideketen.
Bestaan uit een α- en β-keten. α is in alle hormonen gelijk terwijl β
actiespecifiek is.
o FSH, LH, inhibine, activine, follistatine, hCG, eCG
o Hoe sterker geglycolyseerd, hoe langer de halfwaardetijd.
Steroïdhormonen
o Gevormd uit cholesterol of andere precursors.
Bestaan uit 3 cyclohexaanringen en 1 cyclopentaanring.
o Progesteron, oestrogenen, androgenen
o Snelwerkend effect via binding aan receptor in membraan nieuwe
eiwitsynthese.
Traagwerkend effect via diffusie door membraan binding aan
receptor in cytoplasma transcriptie van nieuwe eiwitten.
Prostaglandinehormonen
o Gevormd uit het vetzuur arachidonzuur.
o PGF2α en PGE2α
o Korte halfwaardetijd.
Er bestaan 2 reproductieve cycli bij dieren:
Menstruele cyclus bij primaten. Fysiologische veranderingen bij opeenvolgende periodes van menstruatie waarbij de
ovulatie in het midden van de cyclus plaatsvindt.
Oestrische cyclus bij andere diersoorten. Fysiologische veranderingen bij opeenvolgende periodes van seksuele
receptiviteit waarbij de ovulatie aan het begin van de cyclus plaatsvindt.
Mono-oestrisch
o 1 cyclus per jaar (hond; gemiddeld 3 cycli per 2 jaar)
o Relatief lange oestrus om kans op fertilisatie te verhogen.
Poly-oestrisch
o Meerdere, gelijkmatig verdeelde cycli per jaar
o Hele jaar door mogelijk om drachtig te raken.
Seizoensgebonden poly-oestrisch
o Clusters van oestrische cycli, afhankelijk van seizoen.
o Short-day breeders; cyclus komt op gang wanneer dagen korter worden.
o Long-day breeders; cyclus komt op gang wanneer dagen langer worden.
, De hypothalamus van het vrouwelijke dier bestaat uit 2 centra:
Pulscentrum: geeft pulsatiel kleine hoeveelheden GnRH af (kleine piekjes en rond ovulatie hoge piek).
Tonisch centrum: geeft pulsatiel kleine hoeveelheden GnRH af (hoogfrequent, laag-amplitudig).
Samen zorgen ze voor meerdere GnRH-pulsen met kleine amplitudes per dag = het basaalniveau van GnRH.
GnRH werkt op de adenohypofyse, het stimuleert om LH en FSH af te geven. Deze afgifte is pulsatiel omdat de
stimulatie ook pulsatiel is. LH en FSH stimuleren de ovaria om oestradiol af te geven, wat weer de GnRH-afgifte door
het tonisch centrum remt. Deze negatieve feedback zorgt dat de hormonen in lage concentraties blijven. De
negatieve feedback werkt erg sterk wanneer het dier nog niet in de puberteit is.
Vlak voor de puberteit wordt het tonisch centrum steeds minder gevoelig voor de negatieve feedback door
oestradiol, waardoor de LH- en FSH-afgifte toeneemt. Hierdoor groeien de follikels in de ovaria wat weer zorgt voor
een toename van de oestradiolproductie.
Daarnaast is er nog een positieve feedback: oestradiol stimuleert het pulscentrum in de hypothalamus om nog meer
GnRH af te geven, dit noem je de GnRH-surge. Deze komt alleen tot stand wanneer oestradiol in hele hoge
hoeveelheden wordt uitgescheiden (oestradiol-drempel). Vóór de puberteit wordt deze drempel niet overschreden
vanwege de negatieve feedback naar het tonisch centrum. Als de gevoeligheid voor de negatieve feedback vlak voor
de puberteit afneemt stijgt oestradiol en wordt de drempel wel bereikt, zodat de GnRH surge plaatsvindt. Deze GnRH
surge stimuleert de pre-ovulatoire LH
en FSH surge. LH induceert de ovulatie
en met deze eerste ovulatie is de
puberteit/het vruchtbare leven
begonnen.
In de puberteit: na de ovulatie vormt
zich een corpus luteum dat progesteron
produceert. Progesteron remt de afgifte
en gevoeligheid voor GnRH waardoor de
ontwikkeling van nieuwe follikels even
stopt. Wanneer het corpus luteum wordt
afgebroken zal deze remming weer
wegvallen, zal het tonische centrum weer
vaker GnRH uitscheiden en zal het hele
proces zich herhalen.
Vanaf de puberteit kan het dier zicht voortplanten en vindt verdere ontwikkeling van inwendige/uitwendige
geslachtskenmerken plaats. Bij poly-oestrische dieren heeft het vrouwelijk dier na 2-4 oestrische cycli haar volledig
reproductief vermogen bereikt en is ze volwassen. Mono-oestrische dieren zijn na 1 oestrische cyclus al volwassen.
Factoren die van invloed zijn op de start van de puberteit zijn...
Intrinsieke factoren genetica/ras, lichaamsgewicht, voedingstoestand, aangeboren afwijkingen.
Extrinsieke factoren temperatuur, seizoen van geboorte, sociale interacties, licht, stress.
Voortplantingshormonen zijn op basis van de biochemische structuur in 4 groepen te verdelen:
Proteïne-/peptidehormonen
o Bestaan uit aminozuren.
o GnRH, kisspeptin, relaxine en prolactine
o Binden aan extracellulaire receptor activeren
intracellulaire signaalcascades
Glycoproteïnehormonen
o Bestaan uit een polypeptide- en polysaccharideketen.
Bestaan uit een α- en β-keten. α is in alle hormonen gelijk terwijl β
actiespecifiek is.
o FSH, LH, inhibine, activine, follistatine, hCG, eCG
o Hoe sterker geglycolyseerd, hoe langer de halfwaardetijd.
Steroïdhormonen
o Gevormd uit cholesterol of andere precursors.
Bestaan uit 3 cyclohexaanringen en 1 cyclopentaanring.
o Progesteron, oestrogenen, androgenen
o Snelwerkend effect via binding aan receptor in membraan nieuwe
eiwitsynthese.
Traagwerkend effect via diffusie door membraan binding aan
receptor in cytoplasma transcriptie van nieuwe eiwitten.
Prostaglandinehormonen
o Gevormd uit het vetzuur arachidonzuur.
o PGF2α en PGE2α
o Korte halfwaardetijd.
Er bestaan 2 reproductieve cycli bij dieren:
Menstruele cyclus bij primaten. Fysiologische veranderingen bij opeenvolgende periodes van menstruatie waarbij de
ovulatie in het midden van de cyclus plaatsvindt.
Oestrische cyclus bij andere diersoorten. Fysiologische veranderingen bij opeenvolgende periodes van seksuele
receptiviteit waarbij de ovulatie aan het begin van de cyclus plaatsvindt.
Mono-oestrisch
o 1 cyclus per jaar (hond; gemiddeld 3 cycli per 2 jaar)
o Relatief lange oestrus om kans op fertilisatie te verhogen.
Poly-oestrisch
o Meerdere, gelijkmatig verdeelde cycli per jaar
o Hele jaar door mogelijk om drachtig te raken.
Seizoensgebonden poly-oestrisch
o Clusters van oestrische cycli, afhankelijk van seizoen.
o Short-day breeders; cyclus komt op gang wanneer dagen korter worden.
o Long-day breeders; cyclus komt op gang wanneer dagen langer worden.
, De hypothalamus van het vrouwelijke dier bestaat uit 2 centra:
Pulscentrum: geeft pulsatiel kleine hoeveelheden GnRH af (kleine piekjes en rond ovulatie hoge piek).
Tonisch centrum: geeft pulsatiel kleine hoeveelheden GnRH af (hoogfrequent, laag-amplitudig).
Samen zorgen ze voor meerdere GnRH-pulsen met kleine amplitudes per dag = het basaalniveau van GnRH.
GnRH werkt op de adenohypofyse, het stimuleert om LH en FSH af te geven. Deze afgifte is pulsatiel omdat de
stimulatie ook pulsatiel is. LH en FSH stimuleren de ovaria om oestradiol af te geven, wat weer de GnRH-afgifte door
het tonisch centrum remt. Deze negatieve feedback zorgt dat de hormonen in lage concentraties blijven. De
negatieve feedback werkt erg sterk wanneer het dier nog niet in de puberteit is.
Vlak voor de puberteit wordt het tonisch centrum steeds minder gevoelig voor de negatieve feedback door
oestradiol, waardoor de LH- en FSH-afgifte toeneemt. Hierdoor groeien de follikels in de ovaria wat weer zorgt voor
een toename van de oestradiolproductie.
Daarnaast is er nog een positieve feedback: oestradiol stimuleert het pulscentrum in de hypothalamus om nog meer
GnRH af te geven, dit noem je de GnRH-surge. Deze komt alleen tot stand wanneer oestradiol in hele hoge
hoeveelheden wordt uitgescheiden (oestradiol-drempel). Vóór de puberteit wordt deze drempel niet overschreden
vanwege de negatieve feedback naar het tonisch centrum. Als de gevoeligheid voor de negatieve feedback vlak voor
de puberteit afneemt stijgt oestradiol en wordt de drempel wel bereikt, zodat de GnRH surge plaatsvindt. Deze GnRH
surge stimuleert de pre-ovulatoire LH
en FSH surge. LH induceert de ovulatie
en met deze eerste ovulatie is de
puberteit/het vruchtbare leven
begonnen.
In de puberteit: na de ovulatie vormt
zich een corpus luteum dat progesteron
produceert. Progesteron remt de afgifte
en gevoeligheid voor GnRH waardoor de
ontwikkeling van nieuwe follikels even
stopt. Wanneer het corpus luteum wordt
afgebroken zal deze remming weer
wegvallen, zal het tonische centrum weer
vaker GnRH uitscheiden en zal het hele
proces zich herhalen.
Vanaf de puberteit kan het dier zicht voortplanten en vindt verdere ontwikkeling van inwendige/uitwendige
geslachtskenmerken plaats. Bij poly-oestrische dieren heeft het vrouwelijk dier na 2-4 oestrische cycli haar volledig
reproductief vermogen bereikt en is ze volwassen. Mono-oestrische dieren zijn na 1 oestrische cyclus al volwassen.
Factoren die van invloed zijn op de start van de puberteit zijn...
Intrinsieke factoren genetica/ras, lichaamsgewicht, voedingstoestand, aangeboren afwijkingen.
Extrinsieke factoren temperatuur, seizoen van geboorte, sociale interacties, licht, stress.