Melkklieren
Melkklieren – Ziekteleer
De anatomie v/d melkklieren verschilt per diersoort:
Schaap + geit: 2 spenen met elk 1 klierpakket 2 klierpakketten
Paard: 2 spenen met elk 2 klierpakketten 4 klierpakketten
Rund: 4 spenen met elk 1 klierpakket 4 klierpakketten
Varken: 14-16 spenen met elk 1 klierpakket 14-16 klierpakketten
Hond: 2×5 of 2×6 tepels met elk 1 klierpakket 10-12 klierpakketten
Kat: 2×4 of 2×5 tepels met elk 1 klierpakket 8-10 klierpakketten
Bij alle lacterende dieren kennen we minstens 1 vorm van mastitis. Je ziet
mastitis het meest aan het begin v/d lactatieperiode omdat de melkklier dan aan
allerlei risicofactoren wordt blootgesteld (hormonale veranderingen,
toenemende melkgift, veranderde huisvesting/voeding).
11.2 Klierweefsel
11.2.1 Mastitis
= ontsteking v/d melkklieren. Verzamelnaam voor alle vormen van ontsteking. Binnen de overkoepelende term kan je
onderscheid maken op basis van locatie v/d ontsteking:
Galactoforitis = ontsteking v/d afvoergangen
Parenchymateuze mastitis = ontsteking van klierparenchym
Combinatie van bovenstaande
Een klinische mastitis heeft afwijkingen aan uier/melk, een subklinische mastitis geeft geen afwijkingen. Klinische
verschijnselen kunnen acuut zijn maar ook chronisch. Afhankelijk v/d verschijnselen heb je 4 vormen:
Acute catarrale mastitis komt het meest voor.
o Uier/melkpakket voelt warm en gezwollen.
o Secreet is wisselend afwijkend.
o Vaak beperkte verschijnselen, maar wel mogelijk: koorts, anorexie, minder productie
o Hoe meer klierparenchym betrokken, hoe ernstiger de verschijnselen.
Acute fibrinonecrotiserende mastitis geeft wel systemische verschijnselen.
o Hoge koorts, anorexie, mogelijk diarree en sepsis
o Sterk afwijkend secreet, lijkt niet meer op melk.
Chronische mastitis kan sterk in klierparenchym uitbreiden.
o Verschijnselen afgewisseld met subklinische periodes.
o Meestal geen systemische ziekteverschijnselen.
o Soms afwijkingen in uier voelbaar.
Purulente mastitis kan overgaan in abcederende mastitis.
o Grote, harde verdikkingen in melkklier te voelen.
o Taai, purulent, stinkend secreet.
Klinisch beeld en pathogenese komt per diersoort grotendeels overeen maar de consequenties verschillen per
diersoort. Bij lacterende dieren is mastitis een gevaar voor de nakomelingen: moeder laat drinken niet meer toe (pijn)
of nakomelingen krijgen te weinig melk. Bij dieren waarbij de melk voor humane consumptie wordt gebruikt loopt de
volksgezondheid gevaar. Kortom, mastitis is een zeer ongewenste aandoening met nadelige financiële gevolgen.
Mastitisverwekkers kunnen op 2 manieren binnenkomen:
Via het “slotgat” = galactogeen. Komen via tepelkanaal in uiercisterne terecht.
Via het bloed = hematogeen. Komt bijna nooit voor.
In de afweer spelen de volgende structuren een rol:
Slotgat en tepelkanaal: first line of defence
o Keratinelaag in het tepelkanaal heeft bactericide werking. Constante vernieuwing en verhoorning van
epitheel. Tijdens droogstand wordt speen afgesloten van de buitenwereld door een keratineplug.
o Vetzuren op het slijmvlies werken bacteriostatisch.
o Uitstroom van melk spoelt ziekteverwekkers weg
Cellen van het immuunsysteem: second line of defence
, Diergeneeskunde jaar 3 Voortplanting Ziekteleer
Melkklieren
o Lymfocyten, neutrofielen en (uier)macrofagen
Zitten fysiologisch in beperkte aantallen in tepelcisterne, melkgangen en melk.
Macrofagen zullen chemotactisch actieve stoffen produceren: interleukinen en interferonen
(IFN). Neutrofielen volgen interleukinen, migreren vanuit bloed door endotheel naar
uiermesenchym, bij epitheelschade ook naar alveoli en melkganglumen.
Macrofagen + leukocyten produceren ontstekingsmediatoren (prostaglandine, interleukine,
IFN) algemene ziekteverschijnselen, en daling plasmagehaltes van zink en ijzer.
Macrofagen en neutrofielen fagocyteren bacteriën.
Stoffen zoals enzymen lactoperoxidase en lactoferrine (melkeiwit) werken ook tegen mastitis.
o Lactoferrine bindt ijzer en remt de zo groei van bacteriën die ijzer nodig hebben.
Bij galactogene infectie ontstaat ontsteking eerst in de perifere melkgangen (melkstroom is daar minder sterk). Daarna
raken alveolen betrokken (melkgangen raken verstopt en infectie kruipt op). Daarna het mesenchym.
Uierlymfeknopen zijn dan gezwollen (soms voelbaar + pijnlijk). Circulatiestoornissen kunnen tot necrose van delen
van een klierpakket leiden.
Mastitis zie je meestal rond de partus (1 week ante partum – 3 weken post partum) door vele factoren:
1) Galactogenese komt op gang voor de partus dieren kunnen melk lekken, bacteriën kunnen naar binnen
2) Veranderende hormoonhuishouding
3) Stress van partus + metabole stress door melkproductie
Veel voorkomende verwekkers zijn streptokokken, stafylokokken en coliformen E. Coli en Klebsiella. Systemische
infectie met Mycoplasma kan bij rund hematogene mastitis geven, net als tbc, brucellose, listeriose en leptospirose.
Verschijnselen zijn bij alle dieren ongeveer gelijk: algemene ontstekingsverschijnselen (warm, gespannen, gezwollen,
pijnlijk). Bij zeug lastig te voelen vanwege bindweefselkapsel. Afwijkende melk (vlokjes, slierten, ...). Mogelijk
systemische verschijnselen als koorts, anorexie, diarree, verminderde melkgift ( onrustige hongerige jongen).
Afhankelijk van aard/virulentie van kiem en afweer van gastheer.
Mastitis bij het rund
Komt veel voor bij melkkoeien. Levert economische schade door:
1) Melkproductieverlies
2) Behandelingskosten
3) Niet mogen leveren van melk door antibiotica-wachttijden