1. Sportverenigingen
1.1 Historie en ontwikkelingen
Artikel 8 grondwet: vrijheid vereniging vastgelegd
Het was niet altijd vanzelfsprekend om zomaar een vereniging op te richten
1848: ‘vrijheid van vereniging’ grondwettelijk vastgelegd. (tegelijk met vrijheid van
vergadering, onderwijs, rechtstreekste verkiezing 2e kamer)
1855: uitwerking grondwetsartikel wet tot regeling en beperking der uitoefening
van het regt van vereeniging en vergadering. (iedereen mocht vereniging oprichten
mits het niet in strijd was met de openbare orde)
Voor deze tijd kostte het meer moeite om een sportvereniging op te richten: 20+
leden goedkeuring koning vragen
Initiatief oprichting sportverenigingen kwam in 19e eeuw uit adel / gegoede burgerij
Voorlopers in schutterijen en sociëteiten: boogschieten, paardrijden, schermen
Sportieve aspecten werden belangrijker dan de defensieve
Gewone volk betrekken: tot beschaving brengen en in het gareel te houden
Kegelen: een van de belangrijkste sporten die periode. Werd in kloosters, sociëteiten
en in het hof beoefend.
Sporten waarvoor verenigingen werden opgericht: ‘oer-Hollandse’: schaatsen,
kaatsen, kolven, kegelen. Maar ook voor roeien en zeilen.
Gymnastiek/turnen beschavingsmotieven. Leraren, artsen, militairen. (1862 1 e
vereniging)
Gymdocenten actief bij oprichting korfbal, basket en volley verenigingen. Einde 19 e
eeuw damesafdelingen
Jonge sporters uit stedelijke hogere milieus die verenigingen oprichtten
Pim Mulier 14 jaar 1879: voetbalclub
Rond 1900 ong 30.000 lid van vereniging. Kegelen populairst
Blik vanuit het heden;
Amerikaanse & Oosterse sporten afwezig: latere doorbraak
Sport werd eerst dus vooral beoefend door de jonge mannen en studenten van goeie
komaf en kwam daarna in beeld bij bredere lagen vd bevolking
Mobilisatie ten tijde WOI was een katalysator strijdkrachten aan het sporten
Interbellum
1919: 8urige werkdag meer vrije tijd. & Verzuiling heel veel nieuwe verenigingen
verdeeld over de zuilen
Oprichting niet makkelijk: ontbonden, tekort geld, kleinschaligheid, kleine
draagkracht, gebrek bestuurders, kerken & gemeente dwarsbomen (vooral
conservatieven)
Tijdens WOII
Meeste verenigingen konden gwn blijven draaien
Bezetter had niets tegen sport, behalve dat sommige accomodaties werden
gevorderd, joden niet mochten sporten en engelse woorden in tennis werd verboden
Bezetter wilde verzuiling aanpakken eenwording = controle. Verzuilde structuur was
te sterk en ook tot nu zijn sporen van de verzuiling zichtbaar.
, Na de oorlog
Sportbeoefening nieuwe impuls: nog meer verenigingen, groeiende welvaart,
toename vrije tijd (5daagse werkweek), stijging opleidingsniveau & overheid ging
sport stimuleren vanwege “nationaal jeugdprobleem” sport als 3e milieu (naast
gezin en school). maatsch betekenis sportver nam toe
Toenemende erkenning maatschappelijke betekenis sportvereniging gin samen met de
toenemende zorg over hun functioneren.
Individualisering & groeiend consumentisme belangrijkste maatsch veranderingen
waar sportver mee geconfronteerd worden
Mensen worden onafhankelijker en minder behoefte aan gezamenlijke activiteiten
Geen lid maar klant van vereniging: contributie betalen = dienst verwachten besef
dat hun dienst nodig is om het draaiende te houden gaat weg
Druk op verenigingen groter zorg om functioneren ondersteuningsstructuur om
verenigingen te vitaliseren (door gemeenten etc). Echter maken alleen de grotere
verenigingen hier gebruik van.
NOC*NSF & KNVB stellen criteria waaraan een vitale sportvereniging moet voldoen
Marktaandeel verenigingssport is kleiner geworden
Meer mensen zijn gaan sporten maar in verhouding zijn er minder verenigingen
bijgekomen: sporten in informele groepen in openbare ruimte.
Meer mensen naar fitnesscentra waar ze zelf kunnen kiezen wanneer ze er naartoe
gaan.
Concurrentie vanuit gemeente: samenwerking met charitatieve sportorganisaties
(Johan Cruyff Foundation etc)
Nu: 27.000 verenigingen, 24.8000 aangesloten bij NOC*NSF. Eind ’80 waren er
30.000. Belangrijkste oorzaak afname: schaalvergroting: fusie. Gem.aantal leden
stijgt, aantal verenigingen daalt
Toch zijn de verenigingen dominant. Vooral onder de jeugd.
1.2 Activiteiten
Sportver vervullen voor leden meerdere functies. Belangrijkste: sportbeoefening. Te
onderscheiden;
- beschikb stellen van accomodaties en faciliteiten.
- org wedstrijden etc (Competities worden georganiseerd door de bond, niet door de
vereniging. Medewerking is noodzakelijk.)
- begeleiden sporters
- trainingen geven
Andere functies;
- ontmoetingsmogelijkheden creëren
- persoonlijke ontwikkeling
- identificatiemogelijkheden
Sociale contacten zijn heel belangrijk motief om lid te blijven club moet sociale
binding doen.
Functies die individuele belang overstijgen gebeuren vaak impliciet
Mensen bijeenbrengen in bijv kantine/sportveld sociale cohesie in samenleving
1.1 Historie en ontwikkelingen
Artikel 8 grondwet: vrijheid vereniging vastgelegd
Het was niet altijd vanzelfsprekend om zomaar een vereniging op te richten
1848: ‘vrijheid van vereniging’ grondwettelijk vastgelegd. (tegelijk met vrijheid van
vergadering, onderwijs, rechtstreekste verkiezing 2e kamer)
1855: uitwerking grondwetsartikel wet tot regeling en beperking der uitoefening
van het regt van vereeniging en vergadering. (iedereen mocht vereniging oprichten
mits het niet in strijd was met de openbare orde)
Voor deze tijd kostte het meer moeite om een sportvereniging op te richten: 20+
leden goedkeuring koning vragen
Initiatief oprichting sportverenigingen kwam in 19e eeuw uit adel / gegoede burgerij
Voorlopers in schutterijen en sociëteiten: boogschieten, paardrijden, schermen
Sportieve aspecten werden belangrijker dan de defensieve
Gewone volk betrekken: tot beschaving brengen en in het gareel te houden
Kegelen: een van de belangrijkste sporten die periode. Werd in kloosters, sociëteiten
en in het hof beoefend.
Sporten waarvoor verenigingen werden opgericht: ‘oer-Hollandse’: schaatsen,
kaatsen, kolven, kegelen. Maar ook voor roeien en zeilen.
Gymnastiek/turnen beschavingsmotieven. Leraren, artsen, militairen. (1862 1 e
vereniging)
Gymdocenten actief bij oprichting korfbal, basket en volley verenigingen. Einde 19 e
eeuw damesafdelingen
Jonge sporters uit stedelijke hogere milieus die verenigingen oprichtten
Pim Mulier 14 jaar 1879: voetbalclub
Rond 1900 ong 30.000 lid van vereniging. Kegelen populairst
Blik vanuit het heden;
Amerikaanse & Oosterse sporten afwezig: latere doorbraak
Sport werd eerst dus vooral beoefend door de jonge mannen en studenten van goeie
komaf en kwam daarna in beeld bij bredere lagen vd bevolking
Mobilisatie ten tijde WOI was een katalysator strijdkrachten aan het sporten
Interbellum
1919: 8urige werkdag meer vrije tijd. & Verzuiling heel veel nieuwe verenigingen
verdeeld over de zuilen
Oprichting niet makkelijk: ontbonden, tekort geld, kleinschaligheid, kleine
draagkracht, gebrek bestuurders, kerken & gemeente dwarsbomen (vooral
conservatieven)
Tijdens WOII
Meeste verenigingen konden gwn blijven draaien
Bezetter had niets tegen sport, behalve dat sommige accomodaties werden
gevorderd, joden niet mochten sporten en engelse woorden in tennis werd verboden
Bezetter wilde verzuiling aanpakken eenwording = controle. Verzuilde structuur was
te sterk en ook tot nu zijn sporen van de verzuiling zichtbaar.
, Na de oorlog
Sportbeoefening nieuwe impuls: nog meer verenigingen, groeiende welvaart,
toename vrije tijd (5daagse werkweek), stijging opleidingsniveau & overheid ging
sport stimuleren vanwege “nationaal jeugdprobleem” sport als 3e milieu (naast
gezin en school). maatsch betekenis sportver nam toe
Toenemende erkenning maatschappelijke betekenis sportvereniging gin samen met de
toenemende zorg over hun functioneren.
Individualisering & groeiend consumentisme belangrijkste maatsch veranderingen
waar sportver mee geconfronteerd worden
Mensen worden onafhankelijker en minder behoefte aan gezamenlijke activiteiten
Geen lid maar klant van vereniging: contributie betalen = dienst verwachten besef
dat hun dienst nodig is om het draaiende te houden gaat weg
Druk op verenigingen groter zorg om functioneren ondersteuningsstructuur om
verenigingen te vitaliseren (door gemeenten etc). Echter maken alleen de grotere
verenigingen hier gebruik van.
NOC*NSF & KNVB stellen criteria waaraan een vitale sportvereniging moet voldoen
Marktaandeel verenigingssport is kleiner geworden
Meer mensen zijn gaan sporten maar in verhouding zijn er minder verenigingen
bijgekomen: sporten in informele groepen in openbare ruimte.
Meer mensen naar fitnesscentra waar ze zelf kunnen kiezen wanneer ze er naartoe
gaan.
Concurrentie vanuit gemeente: samenwerking met charitatieve sportorganisaties
(Johan Cruyff Foundation etc)
Nu: 27.000 verenigingen, 24.8000 aangesloten bij NOC*NSF. Eind ’80 waren er
30.000. Belangrijkste oorzaak afname: schaalvergroting: fusie. Gem.aantal leden
stijgt, aantal verenigingen daalt
Toch zijn de verenigingen dominant. Vooral onder de jeugd.
1.2 Activiteiten
Sportver vervullen voor leden meerdere functies. Belangrijkste: sportbeoefening. Te
onderscheiden;
- beschikb stellen van accomodaties en faciliteiten.
- org wedstrijden etc (Competities worden georganiseerd door de bond, niet door de
vereniging. Medewerking is noodzakelijk.)
- begeleiden sporters
- trainingen geven
Andere functies;
- ontmoetingsmogelijkheden creëren
- persoonlijke ontwikkeling
- identificatiemogelijkheden
Sociale contacten zijn heel belangrijk motief om lid te blijven club moet sociale
binding doen.
Functies die individuele belang overstijgen gebeuren vaak impliciet
Mensen bijeenbrengen in bijv kantine/sportveld sociale cohesie in samenleving