COLLEGEJAAR 2023/2024
Werkgroep 9 Nederlands en vergelijkend staatsrecht B2
mr. J.E. Oldeman
EEN IEDER VERBINDENDE
VERDRAGSBEPALINGEN
DE CONSEQUENTIES VAN DE HERZIENE CRITERIA VOOR DE EEN IEDER
VERBINDENDHEID VAN VERDRAGSBEPALINGEN
INDIA BRANDS
S1121411
, 1. Inleiding
Een ieder verbindende bepalingen zijn bepalingen met rechtskracht jegens burgers. Wanneer
een bepaling als zodanig wordt beschouwd, heeft de burger niet alleen aanspraak op
nakoming of toepassing van die bepaling, maar betekent dit ook dat hij uitvoering of
toepassing ervan dient te dulden, zelfs indien dit de juridische positie van de burger nadelig
beïnvloedt.1 De essentie van de een ieder verbindendheid van een verdragsbepaling reikt
verder dan alleen de inroepbaarheid door een burger of de juridische verplichting die op de
burger rust. In dat verband schrijft artikel 94 Grondwet (hierna: Gw) voor dat een binnen het
Koninkrijk geldend wettelijk voorschrift buiten beschouwing moet worden gelaten indien
deze onverenigbaar is met een een ieder verbindende verdragsbepaling. 2 Met andere
woorden, een ieder verbindende verdragsbepalingen bezitten een hiërarchische status die
boven nationale wettelijke voorschriften staat.3
In 1986 formuleerde de Hoge Raad beoordelingscriteria voor de een ieder verbindendheid
van verdragsbepalingen in het zogeheten ‘Spoorwegstakingsarrest’. 4 Niettemin heerste er na
dit arrest nog altijd onduidelijkheid omtrent de wijze waarop deze beoordelingscriteria
moesten worden toegepast.5 In 2014 werden de Spoorwegstakingscriteria vervangen door de
criteria vastgesteld in het ‘Rookverbod-arrest’, die tot op heden leidend zijn voor de vraag of
een verdragsbepaling als een ieder verbindend kan worden gekwalificeerd. 6 Dit essay heeft
tot doel de consequenties van deze herziene criteria te onderzoeken, met bijzondere
aandacht voor artikel 13, tweede lid, onder c van het Internationaal Verdrag inzake
economische, sociale en culturele rechten (hierna: IVESC), waaraan Nederland partij is.
Hierbij wordt hypothetisch uitgegaan van een situatie waarin de Nederlandse wetgever
besluit om schoolboeken voor het hoger onderwijs niet langer gratis te verstrekken.
De gevolgen van de herziene criteria voor de een ieder verbindendheid worden geanalyseerd
aan de hand van de volgende deelvragen: ten eerste, ‘Wat zijn de beoordelingscriteria voor
de een ieder verbindendheid van verdragsbepalingen volgens het Spoorwegstakingsarrest?’
Ten tweede, ‘Hoe verhouden de Spoorwegstakingscriteria zich tot artikel 13, tweede lid,
onder c IVESC?’ Ten derde, ‘Wat zijn de beoordelingscriteria voor de een ieder
verbindendheid van verdragsbepalingen volgens het Rookverbod-arrest?’ Tot slot, ‘Hoe
verhouden de criteria uit het Rookverbod-arrest zich tot artikel 13, tweede lid, onder c
IVESC?’ Uiteindelijk zal een antwoord worden geformuleerd op de vraag: ‘Wat zijn de
consequenties van de herziene criteria voor de een ieder verbindendheid van
verdragsbepalingen, met bijzondere aandacht voor artikel 13, tweede lid, onder c van het
Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten?’ Bovendien zal mijn
persoonlijke opvatting hierover worden geformuleerd.
2. Het Spoorwegstakingsarrest
In 1986 heeft de Hoge Raad in het Spoorwegstakingsarrest criteria geformuleerd ter
beoordeling van de een ieder verbindendheid van verdragsbepalingen. Het arrest behandelt
1
Fleuren, in: T&C Grondwet en Statuut, art. 93 Gw, aant. 3 (online, bijgewerkt 1 maart 2023).
2
Kortmann, Bovend’Eert, Broeksteeg, Kortmann & Vermeulen 2021, p. 206-207.
3
Fleuren, in: T&C Grondwet en Statuut, art. 94 Gw, aant. 1 (online, bijgewerkt 1 maart 2023).
4
HR 30 mei 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AC9402.
5
Philipsen & Wit, de 2014, p. 4.
6
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928.
1
Werkgroep 9 Nederlands en vergelijkend staatsrecht B2
mr. J.E. Oldeman
EEN IEDER VERBINDENDE
VERDRAGSBEPALINGEN
DE CONSEQUENTIES VAN DE HERZIENE CRITERIA VOOR DE EEN IEDER
VERBINDENDHEID VAN VERDRAGSBEPALINGEN
INDIA BRANDS
S1121411
, 1. Inleiding
Een ieder verbindende bepalingen zijn bepalingen met rechtskracht jegens burgers. Wanneer
een bepaling als zodanig wordt beschouwd, heeft de burger niet alleen aanspraak op
nakoming of toepassing van die bepaling, maar betekent dit ook dat hij uitvoering of
toepassing ervan dient te dulden, zelfs indien dit de juridische positie van de burger nadelig
beïnvloedt.1 De essentie van de een ieder verbindendheid van een verdragsbepaling reikt
verder dan alleen de inroepbaarheid door een burger of de juridische verplichting die op de
burger rust. In dat verband schrijft artikel 94 Grondwet (hierna: Gw) voor dat een binnen het
Koninkrijk geldend wettelijk voorschrift buiten beschouwing moet worden gelaten indien
deze onverenigbaar is met een een ieder verbindende verdragsbepaling. 2 Met andere
woorden, een ieder verbindende verdragsbepalingen bezitten een hiërarchische status die
boven nationale wettelijke voorschriften staat.3
In 1986 formuleerde de Hoge Raad beoordelingscriteria voor de een ieder verbindendheid
van verdragsbepalingen in het zogeheten ‘Spoorwegstakingsarrest’. 4 Niettemin heerste er na
dit arrest nog altijd onduidelijkheid omtrent de wijze waarop deze beoordelingscriteria
moesten worden toegepast.5 In 2014 werden de Spoorwegstakingscriteria vervangen door de
criteria vastgesteld in het ‘Rookverbod-arrest’, die tot op heden leidend zijn voor de vraag of
een verdragsbepaling als een ieder verbindend kan worden gekwalificeerd. 6 Dit essay heeft
tot doel de consequenties van deze herziene criteria te onderzoeken, met bijzondere
aandacht voor artikel 13, tweede lid, onder c van het Internationaal Verdrag inzake
economische, sociale en culturele rechten (hierna: IVESC), waaraan Nederland partij is.
Hierbij wordt hypothetisch uitgegaan van een situatie waarin de Nederlandse wetgever
besluit om schoolboeken voor het hoger onderwijs niet langer gratis te verstrekken.
De gevolgen van de herziene criteria voor de een ieder verbindendheid worden geanalyseerd
aan de hand van de volgende deelvragen: ten eerste, ‘Wat zijn de beoordelingscriteria voor
de een ieder verbindendheid van verdragsbepalingen volgens het Spoorwegstakingsarrest?’
Ten tweede, ‘Hoe verhouden de Spoorwegstakingscriteria zich tot artikel 13, tweede lid,
onder c IVESC?’ Ten derde, ‘Wat zijn de beoordelingscriteria voor de een ieder
verbindendheid van verdragsbepalingen volgens het Rookverbod-arrest?’ Tot slot, ‘Hoe
verhouden de criteria uit het Rookverbod-arrest zich tot artikel 13, tweede lid, onder c
IVESC?’ Uiteindelijk zal een antwoord worden geformuleerd op de vraag: ‘Wat zijn de
consequenties van de herziene criteria voor de een ieder verbindendheid van
verdragsbepalingen, met bijzondere aandacht voor artikel 13, tweede lid, onder c van het
Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten?’ Bovendien zal mijn
persoonlijke opvatting hierover worden geformuleerd.
2. Het Spoorwegstakingsarrest
In 1986 heeft de Hoge Raad in het Spoorwegstakingsarrest criteria geformuleerd ter
beoordeling van de een ieder verbindendheid van verdragsbepalingen. Het arrest behandelt
1
Fleuren, in: T&C Grondwet en Statuut, art. 93 Gw, aant. 3 (online, bijgewerkt 1 maart 2023).
2
Kortmann, Bovend’Eert, Broeksteeg, Kortmann & Vermeulen 2021, p. 206-207.
3
Fleuren, in: T&C Grondwet en Statuut, art. 94 Gw, aant. 1 (online, bijgewerkt 1 maart 2023).
4
HR 30 mei 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AC9402.
5
Philipsen & Wit, de 2014, p. 4.
6
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928.
1