Samenvatting De Cel
De cel dag 2-1
Voorbereiding Hoorcollege 18-09-2023
Classes of biomolecules: pagina’s 50-52
- Organische moleculen = koolstof bevattende onderdelen van moleculen
- Anorganische moleculen = alle andere moleculen (water)
- Chemische groepen: methyl (–CH3), hydroxyl (–OH), carboxyl (–COOH), carbonyl (–
C=O), phosphoryl (–PO32–), and amino (–NH2) groups → allemaal eigen chemische
en fysische eigenschappen en invloeden
- De vier grote groepen kleine organische moleculen zijn:
o Suikers
o Vetzuren
o Aminozuren
o Nucleotiden
Sugars: pagina’s 52-54
- De meest simpele suikers zijn monosacheriden (CH2O)n → grotere
moleculen worden koolhydraten genoemd
- Suikers en de grotere moleculen die uit suikers ontstaan → koolhydraten
- Isomeren: moleculen met dezelfde chemische formule maar een andere
structuur
o Spiegelbeelden → optical isomers
- Suikers bestaan van oligosachariden tot polysachariden (bepaald m.b.v. hoeveel
monomeren subunits)
- Condensatie reactie: binding wordt gevormd door reactie tussen 2 OH-groepen van 2
moleculen (water komt vrij)
- Hydrolyse: het breken van de bindingen die bij een condensatie reactie gevormd zijn
(water wordt gebruikt)
- Glucose wordt opgeslagen als glycogeen
- Kleine oligosachariden kunnen gelinkt worden aan eiwitten → glycoeiwitten gevormd
(celmembraan)
Fatty acids: pagina’s 54-55
- Vetzuur bestaat altijd uit een koolwaterstof ketting (hydrofoob, niet reactief) en
een carboxyl (COOH) groep (hydrofiel, erg reactief)
o Zijn dus amfipathisch → bevatten hydrofiel en hydrofoob deel
- Verzadigd: geen dubbele bindingen
- Onverzadigd: wel dubbele bindingen
- Vetzuren zijn voorbeelden van lipiden = moleculen die niet oplossen in water,
maar wel in vet en andere organische oplossingen (zoals benzeen)
- Unieke functie van vetzuren is het ontstaan van een lipidedubbellaag → bestaat
voor het grootste deel uit fosfolipiden
,Amino acids: pagina’s 56, 117-121
- Aminozuren zijn kleine organische moleculen die een carboxyle zuurgroep (C-
terminus) en een aminogroep (N-terminus) bevatten die beide vastzitten aan het
centrale α-carbon atoom
- Aminozuren worden gebruikt om eiwitten te vormen (polymeren van aminozuren)
o Covalente binding tussen 2 aminozuren → peptidebinding
o Ketting van aminozuren → polypeptide
- Aminozuren hebben spiegelisomeren → L- en D-isomeren
- Eiwitten zijn de bouwblokken waaruit cellen ontstaan
- Enzymen helpen bij intracellulaire chemische reacties
- Een eiwit wordt gemaakt van een lange keten aminozuren, die aan elkaar gebonden
worden d.m.v. peptidebindingen → eiwitten worden dus ook wel polypeptiden of
polypeptide kettingen genoemd. De volgorde waarin de aminozuren voorkomen is
de aminozuurvolgorde
- De ruggengraat van een polypeptide is gevormd van een herhalende volgorde:
(-N-C-C-)
- Eiwitten hebben ook zijkettingen → deel dat niet bijdraagt aan het vormen van de
peptidebindingen
- De hydrofobe kracht in de vorm van een eiwit en in de vorm die het aanneemt in
bepaalde omgevingen
Nucleotides: pagina’s 56-58, 110-111, 229-230
- DNA en RNA zijn opgebouwd uit eenheden genaamd nucleotiden
o Suikers (ribose of desoxyribose) met een of meer fosfaatgroepen eraan
o De stikstofhoudende ringen → basen
▪ C, T en U = pyrimidines (6-ring)
▪ G, A = purines (5-ring)
- Nucleoside = base + suiker
- ATP = ribonucleoside trifosfsaat die zorgt voor energieoverdracht → hydrolyse
waarbij 1 fosfaat afsplitst komt veel energie vrij
- Nucleotiden zijn de bouwblokken van nucleïnezuren (DNA) waarbij fosfodiester
bindingen de zuren bij elkaar houden
- RNA: A, G, C, U
- DNA: A, G, C, T
- De vorming van een polymeer is een condensatiereactie waarbij de energie uit de
hydrolyse van een nucleoside trifosfaat wordt verbruikt
- Transcriptie = overschrijven van een DNA volgorde
- Verschillen DNA en RNA:
o Nucleotides → ribonucleotides
o Thymine → Uracil
o Dubbelstreng → enkelstrengs (kan hierdoor in meer vormen opvouwen)
,Macromolecules: pagina’s 58-59, 62-63
- Macromoleculen zijn de bouwstenen voor de constructie van een cel →
gebouwd door covalent gelinkte kleine organische monomeren
- Overeenkomsten macromoleculen:
o Ze groeien d.m.v. condensatiereactie (zie afb)
o De polymere ketting wordt gevormd door de eenheden die in een
bepaalde volgorde worden gekoppeld
- Polymere ketting is heel flexibel → er kunnen veel
vormen = conformaties gevormd worden. D.m.v. minder
sterke / non covalente bindingen behoudt een
macromolecuul 1 bepaalde vorm
- Door de specifieke sterke bindingen die gevormd kunnen
worden kan een macromolecuul een bepaalde functie
hebben
Hoorcollege 2-1
Biomoleculen
Wat maakt complexiteit in de biologie mogelijk?
- Van weinig complexiteit → veel complexiteit
- Monomeren → polymeren
- Polymerisatie = monomeren koppelen, wordt door enzymen gekatalyseerd en is ATP
voor nodig
Monomeren – suikers
Lineaire en cyclische structuur
- Mensen kunnen alleen a-polymeren verteren, herkauwers ook b-glucose
Polyneren hebben een richting
, De cel dag 2-2
Voorbereiding hoorcollege
Cell cycle: pagina’s 609-617
The cell-division cycle
- Celcyclus → de cyclus waarin een cel zichzelf dupliceert en
daarna deelt
Overview of the cell cycle
- De meest basic functie van de cel is om ervoor te zorgen dat
elke dochtercel identiek is aan de moedercel
- De duur van de celcyclus verschilt per type cel
The eukaryotic cell cycle usually includes four phases
- Mitose = proces in de celcyclus waarbij de celkern deelt
- Cytokinese = als de cel zichzelf in 2en splitst
- Cytokinese + mitose = M fase van celcyclus
- Interfase = periode tussen 2 M-fasen → bestaat ook uit 3 fasen:
o S-fase (synthese): cel repliceert DNA
o G1-fase: groeifase 1
o G2-fase: groeifase 2 → tijdens de G-fasen monitort de
cel de interne en externe omgeving zodat het zeker is dat er op het juiste
moment synthese en mitose plaatsvindt
A cell cycle control system triggers the major processes of the cell cycle
- Cell-cycle control system: regulerende eiwitten die zorgen dat replicatie goed gaat
tijdens celcyclus → zorgt ervoor dat alle processen in de celcyclus goed verlopen
- Er vindt feedback plaats van het proces wat voor het huidige proces heeft
plaatsgevonden, hierdoor worden fouten voorkomen (Mitose mag pas plaats vinden
als al het DNA is gerepliceerd)
- Checkpoints, molecular breaks zorgen ervoor dat de celcyclus gepauzeerd wordt bij
een foutje
- Mitotic spindle = een cytoskelet machine waar de chromosomen aan vast zitten
voordat ze uit elkaar worden getrokken
Cell-cycle control is similar in all eukaryotes
- De basic organisatie van hóe de celcyclus plaatsvind is vergelijkbaar in alle
eukaryoten cellen → vergelijkbare controlesystemen
The cell-cycle control system
- 2 type systemen: 1 produceert nieuwe componenten van de groeiende cel en 1 zorgt
dat de nieuwe componenten op de juiste plek terechtkomen
o De cell-cycle control system zorgt dat deze systemen aan- en uitgezet worden
→ moleculaire switchen werken in bepaalde volgorde en organiseren de
belangrijkste gebeurtenissen van de celcyclus
De cel dag 2-1
Voorbereiding Hoorcollege 18-09-2023
Classes of biomolecules: pagina’s 50-52
- Organische moleculen = koolstof bevattende onderdelen van moleculen
- Anorganische moleculen = alle andere moleculen (water)
- Chemische groepen: methyl (–CH3), hydroxyl (–OH), carboxyl (–COOH), carbonyl (–
C=O), phosphoryl (–PO32–), and amino (–NH2) groups → allemaal eigen chemische
en fysische eigenschappen en invloeden
- De vier grote groepen kleine organische moleculen zijn:
o Suikers
o Vetzuren
o Aminozuren
o Nucleotiden
Sugars: pagina’s 52-54
- De meest simpele suikers zijn monosacheriden (CH2O)n → grotere
moleculen worden koolhydraten genoemd
- Suikers en de grotere moleculen die uit suikers ontstaan → koolhydraten
- Isomeren: moleculen met dezelfde chemische formule maar een andere
structuur
o Spiegelbeelden → optical isomers
- Suikers bestaan van oligosachariden tot polysachariden (bepaald m.b.v. hoeveel
monomeren subunits)
- Condensatie reactie: binding wordt gevormd door reactie tussen 2 OH-groepen van 2
moleculen (water komt vrij)
- Hydrolyse: het breken van de bindingen die bij een condensatie reactie gevormd zijn
(water wordt gebruikt)
- Glucose wordt opgeslagen als glycogeen
- Kleine oligosachariden kunnen gelinkt worden aan eiwitten → glycoeiwitten gevormd
(celmembraan)
Fatty acids: pagina’s 54-55
- Vetzuur bestaat altijd uit een koolwaterstof ketting (hydrofoob, niet reactief) en
een carboxyl (COOH) groep (hydrofiel, erg reactief)
o Zijn dus amfipathisch → bevatten hydrofiel en hydrofoob deel
- Verzadigd: geen dubbele bindingen
- Onverzadigd: wel dubbele bindingen
- Vetzuren zijn voorbeelden van lipiden = moleculen die niet oplossen in water,
maar wel in vet en andere organische oplossingen (zoals benzeen)
- Unieke functie van vetzuren is het ontstaan van een lipidedubbellaag → bestaat
voor het grootste deel uit fosfolipiden
,Amino acids: pagina’s 56, 117-121
- Aminozuren zijn kleine organische moleculen die een carboxyle zuurgroep (C-
terminus) en een aminogroep (N-terminus) bevatten die beide vastzitten aan het
centrale α-carbon atoom
- Aminozuren worden gebruikt om eiwitten te vormen (polymeren van aminozuren)
o Covalente binding tussen 2 aminozuren → peptidebinding
o Ketting van aminozuren → polypeptide
- Aminozuren hebben spiegelisomeren → L- en D-isomeren
- Eiwitten zijn de bouwblokken waaruit cellen ontstaan
- Enzymen helpen bij intracellulaire chemische reacties
- Een eiwit wordt gemaakt van een lange keten aminozuren, die aan elkaar gebonden
worden d.m.v. peptidebindingen → eiwitten worden dus ook wel polypeptiden of
polypeptide kettingen genoemd. De volgorde waarin de aminozuren voorkomen is
de aminozuurvolgorde
- De ruggengraat van een polypeptide is gevormd van een herhalende volgorde:
(-N-C-C-)
- Eiwitten hebben ook zijkettingen → deel dat niet bijdraagt aan het vormen van de
peptidebindingen
- De hydrofobe kracht in de vorm van een eiwit en in de vorm die het aanneemt in
bepaalde omgevingen
Nucleotides: pagina’s 56-58, 110-111, 229-230
- DNA en RNA zijn opgebouwd uit eenheden genaamd nucleotiden
o Suikers (ribose of desoxyribose) met een of meer fosfaatgroepen eraan
o De stikstofhoudende ringen → basen
▪ C, T en U = pyrimidines (6-ring)
▪ G, A = purines (5-ring)
- Nucleoside = base + suiker
- ATP = ribonucleoside trifosfsaat die zorgt voor energieoverdracht → hydrolyse
waarbij 1 fosfaat afsplitst komt veel energie vrij
- Nucleotiden zijn de bouwblokken van nucleïnezuren (DNA) waarbij fosfodiester
bindingen de zuren bij elkaar houden
- RNA: A, G, C, U
- DNA: A, G, C, T
- De vorming van een polymeer is een condensatiereactie waarbij de energie uit de
hydrolyse van een nucleoside trifosfaat wordt verbruikt
- Transcriptie = overschrijven van een DNA volgorde
- Verschillen DNA en RNA:
o Nucleotides → ribonucleotides
o Thymine → Uracil
o Dubbelstreng → enkelstrengs (kan hierdoor in meer vormen opvouwen)
,Macromolecules: pagina’s 58-59, 62-63
- Macromoleculen zijn de bouwstenen voor de constructie van een cel →
gebouwd door covalent gelinkte kleine organische monomeren
- Overeenkomsten macromoleculen:
o Ze groeien d.m.v. condensatiereactie (zie afb)
o De polymere ketting wordt gevormd door de eenheden die in een
bepaalde volgorde worden gekoppeld
- Polymere ketting is heel flexibel → er kunnen veel
vormen = conformaties gevormd worden. D.m.v. minder
sterke / non covalente bindingen behoudt een
macromolecuul 1 bepaalde vorm
- Door de specifieke sterke bindingen die gevormd kunnen
worden kan een macromolecuul een bepaalde functie
hebben
Hoorcollege 2-1
Biomoleculen
Wat maakt complexiteit in de biologie mogelijk?
- Van weinig complexiteit → veel complexiteit
- Monomeren → polymeren
- Polymerisatie = monomeren koppelen, wordt door enzymen gekatalyseerd en is ATP
voor nodig
Monomeren – suikers
Lineaire en cyclische structuur
- Mensen kunnen alleen a-polymeren verteren, herkauwers ook b-glucose
Polyneren hebben een richting
, De cel dag 2-2
Voorbereiding hoorcollege
Cell cycle: pagina’s 609-617
The cell-division cycle
- Celcyclus → de cyclus waarin een cel zichzelf dupliceert en
daarna deelt
Overview of the cell cycle
- De meest basic functie van de cel is om ervoor te zorgen dat
elke dochtercel identiek is aan de moedercel
- De duur van de celcyclus verschilt per type cel
The eukaryotic cell cycle usually includes four phases
- Mitose = proces in de celcyclus waarbij de celkern deelt
- Cytokinese = als de cel zichzelf in 2en splitst
- Cytokinese + mitose = M fase van celcyclus
- Interfase = periode tussen 2 M-fasen → bestaat ook uit 3 fasen:
o S-fase (synthese): cel repliceert DNA
o G1-fase: groeifase 1
o G2-fase: groeifase 2 → tijdens de G-fasen monitort de
cel de interne en externe omgeving zodat het zeker is dat er op het juiste
moment synthese en mitose plaatsvindt
A cell cycle control system triggers the major processes of the cell cycle
- Cell-cycle control system: regulerende eiwitten die zorgen dat replicatie goed gaat
tijdens celcyclus → zorgt ervoor dat alle processen in de celcyclus goed verlopen
- Er vindt feedback plaats van het proces wat voor het huidige proces heeft
plaatsgevonden, hierdoor worden fouten voorkomen (Mitose mag pas plaats vinden
als al het DNA is gerepliceerd)
- Checkpoints, molecular breaks zorgen ervoor dat de celcyclus gepauzeerd wordt bij
een foutje
- Mitotic spindle = een cytoskelet machine waar de chromosomen aan vast zitten
voordat ze uit elkaar worden getrokken
Cell-cycle control is similar in all eukaryotes
- De basic organisatie van hóe de celcyclus plaatsvind is vergelijkbaar in alle
eukaryoten cellen → vergelijkbare controlesystemen
The cell-cycle control system
- 2 type systemen: 1 produceert nieuwe componenten van de groeiende cel en 1 zorgt
dat de nieuwe componenten op de juiste plek terechtkomen
o De cell-cycle control system zorgt dat deze systemen aan- en uitgezet worden
→ moleculaire switchen werken in bepaalde volgorde en organiseren de
belangrijkste gebeurtenissen van de celcyclus