WGR 4
Vraag 1
Lees HvJ 8 juni 2017, C-580/15 (van der Weegen). Analyseer dit arrest aan de hand van het
stappenplan: verwijs daarbij naar de relevante overwegingen van het HvJ EU.
Arresten die niet in de bundel staan, mag je uitprinten en meenemen naar het tentamen.
Van der Weegen en Pot waren inwoners van België. Van der Weegen en Pot hielden
spaardeposito’s aan bij buitenlandse banken. De inkomsten daarop werden in België in de
heffing betrokken. Het gaat dus om rente. België kent geen box 3 heffing. Maar de vrijstelling
van die rente tot een bepaald bedrag die kregen zij niet voor deze spaardeposito’s die zij
aanhielden bij de buitenlandse banken en deze vrijstelling zou hij wel gekregen hebben voor
spaardeposito’s die hij in België zou hebben.
Wat was er in geschil? Als zij de spaardeposito’s in België zou aanhouden, dan zouden zij wel
recht hebben op de belastingvrijstelling en nu zij de spaardeposito’s aanhouden bij
buitenlandse banken, hebben zij geen recht op de belastingvrijstelling. Zat de Belgische
regeling zo in elkaar dat er een onderscheid werd gemaakt al naar gelang je die
spaardeposito’s aanhield bij een Belgische bank of een buitenlandse bank? Nee. In
Commissie tegen België heeft het Hof gezegd dat dat onderscheid belemmerend is. Naar
aanleiding daarvan heeft België zijn regels aangepast. Hoe komen de nieuwe Belgische regels
op neer? De faciliteit is nog steeds geldig. De vergoeding op de deposito’s moet voldaan aan
veel voorwaarden wil je die vrijstelling van de rente kunnen toepassen. De belangrijkste
voorwaarde is dat de vergoeding moet bestaan uit een basisrente en een
getrouwheidspremie.
Wat is nu de claim? Want zij krijgen dus geen recht op die vrijstelling, terwijl er in bepaalde
gevallen kennelijk wel aan die voorwaarde is voldaan en wel recht op die vrijstelling hebben.
Wat is zijn stelling? Als zij de spaardeposito’s in België zou aanhouden, dan zouden zij wel
recht hebben op de belastingvrijstelling en nu zij de spaardeposito’s aanhouden bij
buitenlandse banken, hebben zij geen recht op de belastingvrijstelling.
Stap 1: toegang tot de vrijheden? Zie r.o. 25 t/m 27. Er kunnen twee vrijheden van
toepassing zijn, namelijk de vrijheid van dienstverrichting of de vrijheid van kapitaalverkeer.
Volgens het Hof staat de vrijheid van dienstverrichting hier zodanig voorop, dat we gaan
toetsen aan de vrijheid van dienstverrichting en niet aan de vrijheid van kapitaalverkeer. Nu
speelt het zich allemaal binnen de Unie af, dus het maakt ook niet veel uit waaraan getoetst
wordt.
Stap 2: is er sprake van een belemmering? Zie r.o. 28 t/m 35.
Dit arrest is opgenomen, omdat wat tot nu toe vaak gezien hebben we de
standaardvergelijking maken: het grensoverschrijdende geval versus het binnenlandse geval.
We hebben ook gezien dat we twee grensoverschrijdende gevallen met elkaar kunnen
1
, vergelijken, namelijk Sopora en Cadbury Schweppes. We hebben de rechtsvormneutraliteit
als potentiele belemmering gezien, dus de vrije keuze tussen de vi en de
dochtervennootschap mag niet beperkend zijn. Deze drie vormen hebben we tot nu toe
gezien. Welke vorm hebben we hier?
De conclusie zien we in r.o. 35, ‘doordat zij de toegang van in andere lidstaten gevestigde
dienstverrichters tot de Belgische bankenmarkt aan voorwaarden onderwerpt’. Dus wat is de
belemmering? Het wordt hier geformuleerd als een toegangsbelemmering tot de markt. We
zien hier dus eigenlijk (komt zelden voor) een toegangsbelemmering. De maatregelen die
hier gelden zijn zodanig beperkend dat de toegang tot de interne markt wordt beperkt. Met
andere woorden: het Hof zegt dus dat je met deze voorwaarden een bepaalde activiteit
helemaal niet meer kunt uitoefenen. Deze toegangsbelemmeringen kunnen zelfstandige
beperkingen zijn. Het kan dus gaan om maatregelen zonder onderscheid. De maatregel zelf
maakt dus eigenlijk geen onderscheid tussen binnenlandse en grensoverschrijdende
gevallen. Je zou nog wel kunnen zeggen dat de maatregel rechtens geen onderscheid maakt,
maar qua gevolg/feitelijk wel. Het Hof had dus eigenlijk de zaak ook op de klassieke manier
af kunnen doen. Het Hof had namelijk ook kunnen beslissen dat hier sprake is van een de
facto belemmering, omdat het gevolg ervan is belemmerend (de maatregel niet). Het gevolg
is namelijk dat de grensoverschrijdende gevallen slechter af zijn dan de binnenlandse
gevallen.
We hebben hier dus te maken met een toegangsbeperking. Het onderscheid is hier moeilijk
te maken tussen de klassieke belemmering (grensoverschrijdend versus binnenlands) en
deze toegangsbeperking. Waarom is hier sprake van een toegangsbeperking? Omdat vooral
buitenlandse banken geen toegang hebben. Dit had het Hof ook op de klassieke manier af
kunnen doen. Maar nu zien we ook nog eens een ander soort belemmering.
Stap 3: kan de belemmering gerechtvaardigd worden? Vanaf r.o. 36 gaat het over
rechtvaardigingsgronden. In r.o. 38 zie je dat de Belgische regering de bescherming van de
consument als rechtvaardigingsgrond aanvoert. In r.o. 39 zegt het Hof dat zij inderdaad al
eens eerder hebben beslist dat dit een rechtvaardigingsgrond kan zijn.
In r.o. 40 zien we de geschiktheidstoets: de nationale rechter moet nagaan of de Belgische
regeling ertoe kan dienen om het belang van de consument te beschermen.
In r.o. 41 komen we in stap 5 terecht, want het Hof gaat hier kijken of de Belgische regeling
niet verder gaat dan noodzakelijk is om de consument te beschermen. Het dictum komt dan
in r.o. 42. Het Hof zegt hier dat je manieren kunt bedenken waarin het belang van de
consument wel wordt beschermd, zonder dat die voorwaarden gelden, dus eigenlijk kan deze
rechtvaardigingsgrond de belemmering niet wegnemen.
2