Aardrijkskunde
Boek: Geowijzer
Hoofdstuk 5
5.1
Endogene krachten krachten in de aardkorst
Exogene krachten krachten die van buitenaf op de aarde inwerken
De aarde is opgebouwd uit 3 lagen kern, mantel en aardkorst.
Aardkorst dunne buitenkant van de aarde lithosfeer, drijft op de vloeibare mantel of
asthenosfeer onder oceanen is de aardkorst minder dik.
Mantel middelste laag, bijna 80% van het totale volume van de aarde
De lithosfeer drijft op de taai-vloeibare laag.
Temperatuur van de aarde loopt op met de diepte.
Binnenste laag is de kern bol die uit nikkel en ijzer bestaat en is zeer heet, binnen kern is
vast, buitenkern is wel vloeibaar.
Lithosfeer continentale korst en oceanische korst. Continentale korst is ouder.
Continentendrift of platentektoniek continenten zijn voortdurend in beweging.
Lithosfeer bestaat ui 6 grote en een groot aantal kleinere platen of schollen. Deze drijven op
het magma van de asthenosfeer, door de warmte vanuit het binnenste deel van de aarde
wordt het magma omhooggestuwd en ontstaan er stromingen in de asthenosfeer. De
magmastroom botst tegen de lithosfeer en buigt naar links en recht af. Tijdens dit proces
koelt het magma af en zakt weer weg naar de diepere lagen in de mantel deze stromen
heten convectiestromen, ze bewegen de platen van de lithosfeer.
Platentektoniek vindt al duizenden jaren plaats, ooit lagen alle continenten aaneen en
vormden het oercontinent Pangea.
5.2
Motor achter de plaatbewegingen convectiestromen in de asthenosfeer.
De bewegingen gaan altijd gepaard met aardbevingen.
Divergentie platen die van elkaar af bewegen veroorzaakt door opstijgend magma dat door
de lithosfeer breekt en een scheur veroorzaakt. Zodra het magma in contact komt met water
koelt het af, stolt het en vormt nieuwe oceaanbodem = seafloorspreading.
Op de plaats waar 2 platen uit elkaar drijven ontstaan oceanische ruggen bergketens over de
oceaanbodem.
Door een breuk in het Afrikaanse continent ontstaat een nieuw continent en een nieuwe
oceaan. Langs de breuklijn zakken stukken aardkorst wat aardbevinden veroorzaakt.
Convergentie 2 platen bewegen naar elkaar toe 2 continentale platen (ontstaat
plooiingsgebergte, gebergtevorming), 2 oceanische platen (ene plaat schuift onder de
andere, oudste schuift onder de jongere plaat = subductie. Oceaanwater gaat meer de diepte
in, op 100 klimeter diepte smelt de plaat door de hitte in de asthenosfeer, magma vormt
samen met oceaanwater een mengsel dat opstijgt. Er ontstaan vulkanische eilanden,
eilandenboog) of 1 oceanische plaat en 1 continentale plaat (ook subductie, gepaard met
aardbevingen en vulkanisme).
Subductiegebieden kenmerken zich door zware aardbevingen, grote vulkanische activiteit,
ontstaan van bergketens langs de rand van het continent en aanwezigheid van diepe kloven
(troggen) die ontstaan door de onderschuiving van de ene plaat onder de andere.
Transversale of transforme bewegingen wanneer 2 platen langs elkaar schuiven.
, Sommige platen schuiven horizontaal langs elkaar In de breuklijn bouwt zich eerst spanning
op, waarna deze energie vrijkomt en er een aardbeving plaatsvindt.
Verticale breuken delen zakken naar beneden (slenken) of worden naar boven geduwd
(horsten). Door de afbraak van horsten en de opvulling van slenken worden de breuken
minder goed zichtbaar in het landschap.
Snelst dalende gebied in Nederland centrale Slenk, wordt aan de zuidkant begrensd door het
hoger gelegen Kempische Plateau en in het noorden door de Peel Horst. De grens wordt
gevormd door de Peelrandbreuk.
Ten noorden van deze Peel Horst ligt een gebied dat daalt: de Venlo.
5.3
Vulkaanuitbarsting kleurt de aarde rood, as zorgt voor verduistering en afkoeling.
Vulkanisme alle verschijnselen ie zich voordoen als bepaalde stoffen uit de asthenosfeer
naar boven komen.
Vulkanen bergen waaruit magma naar buiten komt.
Magma vloeibaar gesteente in de asthenosfeer. Buiten de aardkorst heet het lava
Het magma stroomt vanuit de magmakamer via de kraterpijp en de krater naar buiten.
Magma kan rustig uit de vulkaan stromen, maar een uitbarsting of eruptie kan ook een
explosief karakter hebben grote stukken magma naar buiten geslingerd = vulkanische
bommen.
Een van de meest gevaarlijke verschijnselen is een pyroclastische stroom as en hete gassen
vormen een gloeiendhete wolk die met grote snelheid de vulkaan af raast en daarbij alles
bedekt.
De meeste vulkanen komen voor bij plaatranden. Ook komen ze voor bij hotspots vulkanen
die midden op een plaat liggen. Op bepaalde plaatsen op de aarde stijgen pluimen magma
op vanuit de asthenosfeer die vervolgens door de lithosfeer smelten. Er ontstaat een actieve
vulkaan die na enige tijd uitdooft. Doordat de plaat zich verplaatst, maar de magmahaard op
dezelfde plek blijft liggen ontstaat er een hele rij vulkanen.
Uiterlijk van een vulkaan wordt bepaald door de eigenschappen van het magma en de
heftigheid van de erupties.
Stratovulkaan bestaat afwisselend uit lava en as. Komen voor bij subductiezones. Zeer
explosief, magma is erg gasrijk.
Schildvulkaan Bij Mid-Atlantische ruggen en hotspots, zeer brede maar lage vulkaan met een
flauwe helling. Bij een vulkaanuitbarsting stroomt het zeer vloeibare lava ver weg voor het
stolt. Bij elke uitbarsting wordt er een nieuw laagje lava neergelegd.
Spleeterupties of spleetvulkaan ontstaat als het magma het oppervlakte bereikt door een
scheur in de aardkorst. Worden veroorzaakt door hotspots. Het magma is vloeibaar
waardoor het over grote afstanden kan wegstromen, hierdoor ontstaan grote basaltplateaus.
Vulkanische activiteiten in de nabijheid van vulkanen of in vulkanische actieve gebieden zijn
openingen in de aardkorst waaruit warmte tot hete dampen komen fumarolen.
Als ergens het magma dicht onder de lithosfeer voorkomt, kan het grondwater verwarmd
worden. Er kunnen warmwaterbronnen ontstaan. Bevatten mineralen doordat de hoge
temperatuur van het water veel minderalen uit de ondergrond opgelost worden.
Als grondwater door het magma boven het kookpunt wordt verhit, stijgt het water onder
grote druk naar de oppervlakte. De zo ontstane geiser zal dan water spuiten.
Geiser verschijnsel waarbij met enige regelmaat een straal kokendheet water en waterdamp
de lucht in wordt gespoten.
Boek: Geowijzer
Hoofdstuk 5
5.1
Endogene krachten krachten in de aardkorst
Exogene krachten krachten die van buitenaf op de aarde inwerken
De aarde is opgebouwd uit 3 lagen kern, mantel en aardkorst.
Aardkorst dunne buitenkant van de aarde lithosfeer, drijft op de vloeibare mantel of
asthenosfeer onder oceanen is de aardkorst minder dik.
Mantel middelste laag, bijna 80% van het totale volume van de aarde
De lithosfeer drijft op de taai-vloeibare laag.
Temperatuur van de aarde loopt op met de diepte.
Binnenste laag is de kern bol die uit nikkel en ijzer bestaat en is zeer heet, binnen kern is
vast, buitenkern is wel vloeibaar.
Lithosfeer continentale korst en oceanische korst. Continentale korst is ouder.
Continentendrift of platentektoniek continenten zijn voortdurend in beweging.
Lithosfeer bestaat ui 6 grote en een groot aantal kleinere platen of schollen. Deze drijven op
het magma van de asthenosfeer, door de warmte vanuit het binnenste deel van de aarde
wordt het magma omhooggestuwd en ontstaan er stromingen in de asthenosfeer. De
magmastroom botst tegen de lithosfeer en buigt naar links en recht af. Tijdens dit proces
koelt het magma af en zakt weer weg naar de diepere lagen in de mantel deze stromen
heten convectiestromen, ze bewegen de platen van de lithosfeer.
Platentektoniek vindt al duizenden jaren plaats, ooit lagen alle continenten aaneen en
vormden het oercontinent Pangea.
5.2
Motor achter de plaatbewegingen convectiestromen in de asthenosfeer.
De bewegingen gaan altijd gepaard met aardbevingen.
Divergentie platen die van elkaar af bewegen veroorzaakt door opstijgend magma dat door
de lithosfeer breekt en een scheur veroorzaakt. Zodra het magma in contact komt met water
koelt het af, stolt het en vormt nieuwe oceaanbodem = seafloorspreading.
Op de plaats waar 2 platen uit elkaar drijven ontstaan oceanische ruggen bergketens over de
oceaanbodem.
Door een breuk in het Afrikaanse continent ontstaat een nieuw continent en een nieuwe
oceaan. Langs de breuklijn zakken stukken aardkorst wat aardbevinden veroorzaakt.
Convergentie 2 platen bewegen naar elkaar toe 2 continentale platen (ontstaat
plooiingsgebergte, gebergtevorming), 2 oceanische platen (ene plaat schuift onder de
andere, oudste schuift onder de jongere plaat = subductie. Oceaanwater gaat meer de diepte
in, op 100 klimeter diepte smelt de plaat door de hitte in de asthenosfeer, magma vormt
samen met oceaanwater een mengsel dat opstijgt. Er ontstaan vulkanische eilanden,
eilandenboog) of 1 oceanische plaat en 1 continentale plaat (ook subductie, gepaard met
aardbevingen en vulkanisme).
Subductiegebieden kenmerken zich door zware aardbevingen, grote vulkanische activiteit,
ontstaan van bergketens langs de rand van het continent en aanwezigheid van diepe kloven
(troggen) die ontstaan door de onderschuiving van de ene plaat onder de andere.
Transversale of transforme bewegingen wanneer 2 platen langs elkaar schuiven.
, Sommige platen schuiven horizontaal langs elkaar In de breuklijn bouwt zich eerst spanning
op, waarna deze energie vrijkomt en er een aardbeving plaatsvindt.
Verticale breuken delen zakken naar beneden (slenken) of worden naar boven geduwd
(horsten). Door de afbraak van horsten en de opvulling van slenken worden de breuken
minder goed zichtbaar in het landschap.
Snelst dalende gebied in Nederland centrale Slenk, wordt aan de zuidkant begrensd door het
hoger gelegen Kempische Plateau en in het noorden door de Peel Horst. De grens wordt
gevormd door de Peelrandbreuk.
Ten noorden van deze Peel Horst ligt een gebied dat daalt: de Venlo.
5.3
Vulkaanuitbarsting kleurt de aarde rood, as zorgt voor verduistering en afkoeling.
Vulkanisme alle verschijnselen ie zich voordoen als bepaalde stoffen uit de asthenosfeer
naar boven komen.
Vulkanen bergen waaruit magma naar buiten komt.
Magma vloeibaar gesteente in de asthenosfeer. Buiten de aardkorst heet het lava
Het magma stroomt vanuit de magmakamer via de kraterpijp en de krater naar buiten.
Magma kan rustig uit de vulkaan stromen, maar een uitbarsting of eruptie kan ook een
explosief karakter hebben grote stukken magma naar buiten geslingerd = vulkanische
bommen.
Een van de meest gevaarlijke verschijnselen is een pyroclastische stroom as en hete gassen
vormen een gloeiendhete wolk die met grote snelheid de vulkaan af raast en daarbij alles
bedekt.
De meeste vulkanen komen voor bij plaatranden. Ook komen ze voor bij hotspots vulkanen
die midden op een plaat liggen. Op bepaalde plaatsen op de aarde stijgen pluimen magma
op vanuit de asthenosfeer die vervolgens door de lithosfeer smelten. Er ontstaat een actieve
vulkaan die na enige tijd uitdooft. Doordat de plaat zich verplaatst, maar de magmahaard op
dezelfde plek blijft liggen ontstaat er een hele rij vulkanen.
Uiterlijk van een vulkaan wordt bepaald door de eigenschappen van het magma en de
heftigheid van de erupties.
Stratovulkaan bestaat afwisselend uit lava en as. Komen voor bij subductiezones. Zeer
explosief, magma is erg gasrijk.
Schildvulkaan Bij Mid-Atlantische ruggen en hotspots, zeer brede maar lage vulkaan met een
flauwe helling. Bij een vulkaanuitbarsting stroomt het zeer vloeibare lava ver weg voor het
stolt. Bij elke uitbarsting wordt er een nieuw laagje lava neergelegd.
Spleeterupties of spleetvulkaan ontstaat als het magma het oppervlakte bereikt door een
scheur in de aardkorst. Worden veroorzaakt door hotspots. Het magma is vloeibaar
waardoor het over grote afstanden kan wegstromen, hierdoor ontstaan grote basaltplateaus.
Vulkanische activiteiten in de nabijheid van vulkanen of in vulkanische actieve gebieden zijn
openingen in de aardkorst waaruit warmte tot hete dampen komen fumarolen.
Als ergens het magma dicht onder de lithosfeer voorkomt, kan het grondwater verwarmd
worden. Er kunnen warmwaterbronnen ontstaan. Bevatten mineralen doordat de hoge
temperatuur van het water veel minderalen uit de ondergrond opgelost worden.
Als grondwater door het magma boven het kookpunt wordt verhit, stijgt het water onder
grote druk naar de oppervlakte. De zo ontstane geiser zal dan water spuiten.
Geiser verschijnsel waarbij met enige regelmaat een straal kokendheet water en waterdamp
de lucht in wordt gespoten.