Hoorcollege aantekeningen
Week 1
HC1 Diabetes Mellitus en farmacologie
Definitie
Diabetes mellitus of suikerziekte is een stoornis in de stofwisseling die wordt veroorzaakt
door een absoluut of relatief tekort aan insuline dat leidt tot een chronisch verhoogd
bloedglucosegehalte.
Normale glucose waardes.
Nuchter: < 6,1 mmol/L
Niet-nuchter: <7,8 mmol/L
Je hebt meerdere prikken nodig om tot diagnose te komen
Verschillende soorten
- Diabetes mellitus Type 1
o Auto-immuniteit tegen ß-cellen van de pancreas
▪ Antistoffen maken die cellen kapot, daardoor steeds minder insuline
productie
o Absoluut insuline tekort, altijd insuline gebruiken
- Diabetes mellitus Type 2 / Metabool syndroom
o Resistentie van lichaam tegen insuline
o Aanvankelijk teveel aan insuline, later relatief tekort aan insuline
o Bij milde vormen op te lossen door leefstijladviezen
▪ Voornamelijk afvallen
o Orale antidiabetische middelen, soms insuline nodig
- Zwangerschapsdiabetes (diabetes gravidarum)
- Corticosteroïdgeïnduceerde hyperglykemie
- Pancreasinsufficiëntie
o Als alvleesklier niet meer werkt
- Maturity Onset Diabetes of the Young (MODY) = genetische / erfelijke vorm
- Latent Autoimmune Diabetes in Adults (LADA): lijkt op langzame vorm type 1
Glucosemetabolisme
Doel: plasma-glucose concentratie stabiel houden
2 belangrijke hormonen:
- Insuline -> beta cellen
o Leidt tot daling glucose
- Glucagon -> alfa cellen
o Leidt tot stijging glucose
,Wanneer bloedglucose stijgt → pancreas → insuline → bloedglucose daalt → pancreas →
glucagon → glucose productie → stijging bloedglucose waarde.
Insuline op celniveau
Insuline is een hormoon dat zich bindt aan de insuline receptor. Als die wordt gestimuleerd,
dan gebeuren er intracellulaire processen. Een van de belangrijkste zaak is dat glucose
transporter-4 geactiveerd wordt en opengaat, waardoor glucose naar binnen wordt
getransporteerd. Eenmaal in de cel wordt glucose verder verwerkt, ofwel voor energie of
voor opslag. In spieren wordt het opgeslagen als glycogeen en in vetweefsel kan het worden
opgeslagen als vetzuren. Insuline zorgt voor transport van glucose de cel in.
Insuline en glucagon in de lever
Gluconeogenese: glucose nieuw gemaakt (onder invloed van glucagon)
- Uit aminozuren
- Uit glycerol
Glycogenolyse: glycogeen afbreken tot glucose (onder invloed van glucagon)
Glycogenese: glycogeen maken uit glucose (onder invloed van insuline)
Insuline in spierweefsel
- Opslag van glycogeen
- Glucosetransport + verbranding
- Aanmaken van eiwitten
Insuline in vetweefsel
- Glucosetransport
- Aanmaak en opslag van triglyceriden
- Remt de afbraak van vet
→ mensen die insuline therapie krijgen komen daarom ook aan
,Als insuline in de bloedstroom terecht komt.
→ vetweefsel. Insuline stimuleert vorming triglyceriden en remt de afbraak van
triglyceriden.
→ spierweefsel. Insuline:
- Stimuleert glycogenese
- Opname glucose
- Productie van vetzuren
- Remt gluconeogenese
- Remt vorming glucose uit glycerol
Darmen
Incretines GLP-1 en GIP worden geproduceerd in de darmen bij orale inname van glucose.
- Stimuleert de insuline secretie
- Remt de glucagon secretie
actief GLP-1 en GIP worden afgebroken door het enzym
DPP-4, waardoor uiteindelijk als de glucose wat
afgenomen is dit proces niet aan de gang blijft.
, Alle oranje staan in de
leerdoelen.
Ze werken op veel verschillende punten
in het systeem.
Metformine:
- Lever en spierweefsel
- Verhoogt insulinegevoeligheid
- Minder glucoseproductie lever
- Verhoogt glycogeenproductie
- → gaat resistentie tegen insuline
tegen, daarom startpunt van diabetes
type 2
SU-derivaat (sulfonylureum):
- pancreas
- Verhoogt insulineproductie door verhogen van de gevoeligheid van betacellen in de
pancreas
- In combinatie met metformine kan het tot hypoglycaemie leiden
Insuline:
- Werkt in de bloedstroom
- Toediening via huid, maar opname in bloedbaan
Verschillende soorten insuline
UKW = ultra kort werkend
KW = kortwerkend
LW = langwerkend
Week 1
HC1 Diabetes Mellitus en farmacologie
Definitie
Diabetes mellitus of suikerziekte is een stoornis in de stofwisseling die wordt veroorzaakt
door een absoluut of relatief tekort aan insuline dat leidt tot een chronisch verhoogd
bloedglucosegehalte.
Normale glucose waardes.
Nuchter: < 6,1 mmol/L
Niet-nuchter: <7,8 mmol/L
Je hebt meerdere prikken nodig om tot diagnose te komen
Verschillende soorten
- Diabetes mellitus Type 1
o Auto-immuniteit tegen ß-cellen van de pancreas
▪ Antistoffen maken die cellen kapot, daardoor steeds minder insuline
productie
o Absoluut insuline tekort, altijd insuline gebruiken
- Diabetes mellitus Type 2 / Metabool syndroom
o Resistentie van lichaam tegen insuline
o Aanvankelijk teveel aan insuline, later relatief tekort aan insuline
o Bij milde vormen op te lossen door leefstijladviezen
▪ Voornamelijk afvallen
o Orale antidiabetische middelen, soms insuline nodig
- Zwangerschapsdiabetes (diabetes gravidarum)
- Corticosteroïdgeïnduceerde hyperglykemie
- Pancreasinsufficiëntie
o Als alvleesklier niet meer werkt
- Maturity Onset Diabetes of the Young (MODY) = genetische / erfelijke vorm
- Latent Autoimmune Diabetes in Adults (LADA): lijkt op langzame vorm type 1
Glucosemetabolisme
Doel: plasma-glucose concentratie stabiel houden
2 belangrijke hormonen:
- Insuline -> beta cellen
o Leidt tot daling glucose
- Glucagon -> alfa cellen
o Leidt tot stijging glucose
,Wanneer bloedglucose stijgt → pancreas → insuline → bloedglucose daalt → pancreas →
glucagon → glucose productie → stijging bloedglucose waarde.
Insuline op celniveau
Insuline is een hormoon dat zich bindt aan de insuline receptor. Als die wordt gestimuleerd,
dan gebeuren er intracellulaire processen. Een van de belangrijkste zaak is dat glucose
transporter-4 geactiveerd wordt en opengaat, waardoor glucose naar binnen wordt
getransporteerd. Eenmaal in de cel wordt glucose verder verwerkt, ofwel voor energie of
voor opslag. In spieren wordt het opgeslagen als glycogeen en in vetweefsel kan het worden
opgeslagen als vetzuren. Insuline zorgt voor transport van glucose de cel in.
Insuline en glucagon in de lever
Gluconeogenese: glucose nieuw gemaakt (onder invloed van glucagon)
- Uit aminozuren
- Uit glycerol
Glycogenolyse: glycogeen afbreken tot glucose (onder invloed van glucagon)
Glycogenese: glycogeen maken uit glucose (onder invloed van insuline)
Insuline in spierweefsel
- Opslag van glycogeen
- Glucosetransport + verbranding
- Aanmaken van eiwitten
Insuline in vetweefsel
- Glucosetransport
- Aanmaak en opslag van triglyceriden
- Remt de afbraak van vet
→ mensen die insuline therapie krijgen komen daarom ook aan
,Als insuline in de bloedstroom terecht komt.
→ vetweefsel. Insuline stimuleert vorming triglyceriden en remt de afbraak van
triglyceriden.
→ spierweefsel. Insuline:
- Stimuleert glycogenese
- Opname glucose
- Productie van vetzuren
- Remt gluconeogenese
- Remt vorming glucose uit glycerol
Darmen
Incretines GLP-1 en GIP worden geproduceerd in de darmen bij orale inname van glucose.
- Stimuleert de insuline secretie
- Remt de glucagon secretie
actief GLP-1 en GIP worden afgebroken door het enzym
DPP-4, waardoor uiteindelijk als de glucose wat
afgenomen is dit proces niet aan de gang blijft.
, Alle oranje staan in de
leerdoelen.
Ze werken op veel verschillende punten
in het systeem.
Metformine:
- Lever en spierweefsel
- Verhoogt insulinegevoeligheid
- Minder glucoseproductie lever
- Verhoogt glycogeenproductie
- → gaat resistentie tegen insuline
tegen, daarom startpunt van diabetes
type 2
SU-derivaat (sulfonylureum):
- pancreas
- Verhoogt insulineproductie door verhogen van de gevoeligheid van betacellen in de
pancreas
- In combinatie met metformine kan het tot hypoglycaemie leiden
Insuline:
- Werkt in de bloedstroom
- Toediening via huid, maar opname in bloedbaan
Verschillende soorten insuline
UKW = ultra kort werkend
KW = kortwerkend
LW = langwerkend