Openbaar bestuur: alle organisaties en activiteiten die zijn gericht op de besturing van de
maatschappij.
Openbaar bestuur in beperkte zin: de overheid / de staat.
Openbaar bestuur in ruime zin: de overheid / de staat en alle organisaties die wel een publieke taak
vervullen zoals ziekenhuizen en de ANWB.
Privatisering: organisaties die van het publiek domein naar het privaat domein verschuiven.
Nationalisering: organisaties die van het private domein naar het publieke domein verschuiven.
Bepaling in hoeverre een organisatie publiek is:
1. Eigenaarschap. Van wie is de organisatie?
2. Bekostiging. Wie bekostigt de organisatie?
3. Politieke controle. In welke mate vindt publieke controle plaats?
Multi-level governance: het besturen vindt plaats om meerdere (niveaus) en gebeurt door overheden
als andere organisaties.
Succesvol governance:
- Programmatisch succes
o Juiste beleidstheorie
- Proces-succes
o Mate van responsiviteit
- Politiek succes
o Steun van relevante actoren
- Langdurig succes
o Reflectie op proces en programma
Decentralisatie: gemeenten en provincies kunnen ondanks de centrale overheid op sommige
gebieden een eigen invulling geven aan bepaalde zaken.
Globalisering: landen worden op economisch, cultureel, sociaal en politiek niveau steeds meer met
elkaar verbonden.
Spanningsvelden openbaarbestuur:
- Democratie
o Responsiviteit
, o Participatie
- Doeltreffendheid en Doelmatigheid
o Doelbereiking
o Middelenbeheer
- Integriteit
o Onkreukbaarheid
o Ethisch verantwoord
- Rechtmatigheid
o Wetmatigheid
o Behoorlijk bestuur
Beleid: de poging van een bestuursorgaan om een maatschappelijke toestand doelgericht te
beïnvloeden.
Publieke waarde: het gezamenlijke beeld van wat de samenleving als waardevol ervaart.
Publieke waardecreatie: de driehoek tussen de overheid, de markt en de gemeenschap.
Publieke goederen: goederen die niet-uitsluitbaar en niet-rivaliserend zijn, zoals schone lucht.
Private goederen: goederen die uitsluitbaar en rivaliserend zijn, zoals een eigen huis.
Clubgoederen: goederen die niet-rivaliserend maar wel uitsluitbaar zijn, zoals een ticket voor een
voetbalwedstrijd.
Common-poolgoederen: goederen die niet-uitsluitbaar maar wel rivaliserend zijn, zoals vis op zee.
Overheidssturing: de overheid stuurt de samenleving aan.
Maakbaarheid: de samenleving is met doordacht ingrijpen gericht te veranderen.
Marktmechanisme: via vraag en aanbod aanpakken van maatschappelijke vraagstukken.
Geweldsmonopolie: de overheid heeft het alleenrecht op het gebruik van geweld / drang.
Vormen van marktimperfecties:
1. Preventie van monopolies en kartels
2. Productie van publieke goederen
3. Regulering van externe effecten
4. Omgaan met bemoeigoederen
5. Compenseren van verdelingseffecten
Free-riderprobleem: het gebruik maken van een dienst of goed zonder hiervoor te betalen.
Beleidsomgeving: de omgeving waarop het beleid betrekking heeft.
Beleidsmakers: mensen die zich bezighouden met het ontwikkelen van beleid.
Probleem: het verschil tussen de huidige situatie en een norm.
Beleidstheorie: het uitschrijven welke maatregelen tot welke resultaten in de beleidsomgeving
moeten leiden.
Externe omgeving: de buitenwereld, zoals burgers en pressiegroepen.
Interne omgeving: de omstandigheden waarbinnen beleidsmakers hun werk doen, zoals tijdsdruk.