H1 Inleiding
1.1 Inleiding
De sociologie houdt zich bezig met het verklaren van gedrag van individuen en groepen van mensen
vanuit de maatschappelijke invloeden die ze ondergaan.
1.2 Wat ‘doet’ sociologie?
Functies
Een van de grondleggers van de westerse sociologie is de Franse filosoof Augustus Comte (1798-
1857). Hij benadrukte dat het de belangrijkste taak van de sociologie was om ongefundeerde
‘geloven’ over de werking van de samenleving door te prikken en te vervangen door
wetenschappelijke inzichten.
Een belangrijk onderdeel van de sociologie is het blootleggen van bestaande (machts)verhoudingen.
Deze functie van ideologiekritiek maakt de sociologie niet altijd populair, en ze vormt ook de reden
dat de sociologie eigenlijk altijd een omstreden tak binnen de wetenschap is. Sociologie als
wetenschap geeft inzicht in menselijk gedrag en is daarmee ook goed bruikbaar om de samenleving
te besturen. Dit noemen we de beheersfunctie van de sociologie. Ten slotte heeft de sociologie een
ordende functie. Dat wil zeggen dat sociologen mede tot taak hebben om in een min of meer
onoverzichtelijke werkelijkheid een zodanige samenhang aan te brengen dat situaties overzichtelijker
en begrijpelijker worden.
Wat maakt iets tot een sociologisch issue?
De Amerikaanse socioloog Wright Mills pleitte voor het aanbrengen van een koppeling tussen deze
individuele belevingswereld en de maatschappelijke logica. Hij gebruikte hierbij de term
sociologische verbeeldingskracht. Hij bedoelde hiermee dat mensen ogenschijnlijk los van elkaar
staande persoonlijke ervaringen, situaties en problemen moeten leren zien in het licht van de manier
waarop de maatschappij functioneert. De socioloog Kees Schuyt (1997) geeft zes criteria om een
probleem als sociologisch relevant probleem te identificeren.
1. Er moet sprake zijn van een aanzienlijk aantal getroffenen.
2. Het moet gaan om persoonlijk letsel van die getroffenen (de ‘private troubles’ van Wright
Mills).
3. Het moet samenhangen met andere problemen.
4. Het probleem is niet van gelijke aard, maar structureel en van lange duur.
5. Het moet bovenpersoonlijke oorzaken hebben.
6. Het moet tegen serieuze waarden ingaan.
1.4 Individu en samenleving
Het vermogen om iets aan de samenleving te veranderen, is een centraal thema in dit boek. Dit
vermogen heeft veel te maken met macht. In het kader van dit boek wordt met dit begrip gerefereerd
aan het vermogen om vorm te geven aan de eigen toekomst.
Macht omvat:
1. Het vermogen om doelstellingen in de toekomst te formuleren macht als vermogen begint
met het vermogen om in het algemeen doelstellingen in de toekomst te formuleren.
2. Het vermogen om – als doelstellingen voor de toekomst eenmaal gekozen zijn – de middelen
aan te wenden om ze te realiseren als doelstellingen voor de toekomst eenmaal gekozen zijn,
gaat het vervolgens om het vermogen om de middelen aan te wenden om ze te realiseren.
3. Het vermogen voor de vastgestelde doelstellingen de middelen te organiseren (en) om
(hiervoor) anderen te beïnvloeden, invloed uit te oefenen.